Het Romeinse leger

 

Up ]

down 

Het leger : kort

In de loop der eeuwen heeft het Romeinse leger vele wijzigingen ondergaan. In theoriebestand de algemene dienstplicht, maar in feite bestond het leger op het einde van deRepubliek en in de Keizertijd voornamelijk uit beroepsvrijwilligers, die zich bij hetleger lieten inlijven, aangelokt door de mogelijkheden op buit in de wingewesten, eerderdan door de soldij (stipendium).

A. INRICHTING VAN HET LEGER

1) Verdeling

(ten tijde van Caesar): Voor hetmerendeel was het leger bevolkt door mensen uit de lagere klasse, die zich door een eed(sacramentum) voor 20 jaar verbonden. De kern van het legioen (legio), was de cohors.Ieder legioen had er 10, die zelfstandig konden optreden, en verdeeld waren in 3 manipuli,van elk 2 centuriae. Dus een legio bestond uit 10 x 3 x 2 x 100 = 6000 manschappen, maarfeitelijk waren het er veel minder door ziekten, gesneuvelden en gewonden.

2) Officieren

3) Veldtekens

4) Soldaten

De soldaten (milites) van de legioenen zijn uitsluitend Romeinse burgers. e auxilia ofhulptroepen werden gelicht in de provincies. Vooral de equitatus (ruiterij) die onderbevel stond van een Romeins officier (praefectus equitum), bestond uit GalliŽrs,Germanen, Spanjaarden, NumidiŽrs en ThraciŽrs. Elk legioen had een ruiterijafdeling(ala) van 300 tot 500 ruiters, verdeeld in 10 turmae, en elke turma nog eens in 3 Š 5decuriae van 10 man. Zij moesten bij een aanval snelle bewegingen en omsingelingenuitvoeren en eventueel vluchtende vijanden achternazetten. De ruiterij had als kentekenhet vexillum. aedragen door de vexillarius.

Verder waren er slingeraars (funditores), boogschutters (sagitarii), genietroepen(fabri, o.l.v. de praefectus fabrum), oppassers (calones) en trosknechten (muliones) dieinstonden voor het vervoer van de impedimenta zoals tenten, wapens, werktuigen, handmolensen proviand op lastdieren en wagens.

Een grote groep verkenners (ex.ploratores), verspieders (speculatores), tolken(interpretes), herauten (praecones) handelaars (mercatores) en marketenters (lixae)volgden het leger.

B. Bewapening van de soldaten

Elke legionarius beschikte over aanvalswapens (tela) en verdedigingswapens (arma).

1) Tela

2) Arma

C. HET LEGER OP MARS

Op mars droegen de Romeinse soldaten, behalve hun wapens ook hun persoonlijke bagage(sarcinae), nl. spade, zaag, bijl, mand, een of meer schanspalen, sikkel, graan voor driedagen, keukengerei en andere persoonlijke benodigdheden.

De voorhoede (primum agmen) bestond uit ruiterij, versterkt door lichte infanterie, diesnel kon ingrijpen. Exploratores en speculatores werden uitgestuurd om de bewegingen vande vijand na te gaan en onverhoedse aanvallen te beletten. Achter ieder legioen trok,vervoerd op wagens, getrokken door lastdieren, de zware bagage of tros (impedimenta).Wanneer echter de vijand naderde, marcheerden de legioenen gegroepeerd en zonder trosvooraan (legiones expeditae). Achter de gezamenlijke impedimenta werd dan de achterhoede(novissimum agmen of extremum agmen) doorgaans gevormd door ťťn of twee legioenengewoonlijk de laatst gelichte.

Een gewone dagmars (iustum iter) bedroeg 20 Š 25 km, een magnum iter 30 tot 35 km, eengeforceerde mars (maximum iter) van 40 tot 50 km. Maar zelfs na de meest vermoeiendedagmars legden de soldaten Is avonds, een legerplaats aan, waarin ze, na het uitzetten vanwachtposten, veilig de nacht konden doorbrengen.

D. HET LEGERKAMP

1) Soorten

2) Het kiezen van het terrein en de eerste aanleg

Tegen de eindfase van de mars worden centuriones, ťťn augur en milites mensoreso.l.v. een tribunus militum vooruitgezonden om een geschikt terrein te vinden en het kampaf te bakenen.
Een kamp was idoneus (geschikt) als het op een zacht glooiende heuvel lag, in de nabijheidvan een stroom, weiden, hout en wegen.
Met zijn gebogen roede (lituus) zorgde de augur ervoor dat de afbakening gebeurde volgensde rituele voorschriften. De tribunus militum plantte een witte vlag waar de tent van develdheer zou komen. De geniesoldaten duidden met kleurvlaggetjes en lansen de plaatsenvoor de diverse legerafdelingen aan. Zo wist iedere soldaat onmiddellijk na aankomst waarzijn tent zou komen, en kon hij direct aan de verschansingswerken beginnen.

3) Hoe ziet een kamp eruit?

Bij iedere poort lag een wachtpost (vigilia). De vier poorten liggen in een vallum, diehet ganse kamp omringt. Deze valium is versterkt door een fossa in V-vormen en bestaat uiteen aarden wal, waarop schanspalen zijn gezet (agger). Binnenin het kamp loopt langs deomheining een brede weg (intervallum), om de manschappen te verzamelen en de machines, veeen de buit te plaatsen. De tenten (tentoria of tabernacula) worden twee aan twee tegenelkaar opgeslagen, op meerdere rijen, langs wegen die alle naar de twee hoofdwegen voeren.

Ongeveer in het midden van het kamp bevindt zich het hoofdkwartier, het praetoriuir(,met de tenten van de opperbevelhebber en de leden van de generale staf. Ervoor is hetforum met de suggestus of tribunal, een aarden verhoog vanwaar de veldheer desoldatentoesprak die zich op het forum verzameld hadden.

In de nabijheid ziet men ook het quaestorium, met de burelen van de quaestor, die desoldij aan de soldaten uitbetaalt. ook krijgsgevangenen en gijzelaars worden in hetquaestorium ondergebracht.

E. HET GEVECHT

Het hijsen van de purperen vlag (vexillum proponere) op de veldheerstent was het tekendat er een veldslag zou geleverd worden. De troepen werden dan in slagorde voor het kampopgesteld (aciem instrueren in een driedubbele slaglinie (acies

lex), zodat de cohorten in de volgende orde stonden

 

3e acies:      reserve8               reserve9               reserve10

2e acies:         cohorte5         cohorte6         cohorte7

1e acies:    cohorte1        cohorte2       cohorte3        cohorte4

 

Door deze opstelling kon de tweede linie de eerste te hulp komen, als die eerste moestwijken of zware verliezen had geleden, de derde linie diende als reserve. De zege werdinderdaad zeer vaak door dit leger behaald, omdat het zijn reserves regelmatig op hetgepaste ogenblik in de strijd kon werpen.

F. DE BELEGERING EN BESTORMING

De superioriteit van de Romeinen kwam vaak tot uiting in de blokkade (obsidio ofobsessio) en ook in het beleg of de bestorming (oppugnatio) van een vesting.

 

 

 

 

 

 

 

 

Het Leger: uitgebreid

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave
Voorwoord
Inleiding
1. De militaire geschiedenis van Rome

1.1. De Republiek

1.1.1. Algemene situering van de situatie in de Republiek
1.1.2. Moeilijkheden op eigen gebied
1.1.3. De Punische oorlogen
1.1.4. De eerste Punische oorlog
1.1.5. De tweede Punische oorlog
1.1.6. De strafexpedities (Macedonische oorlogen)
1.1.7. Intern conflict en het einde van de republiek

1.2. Het Keizerrijk

1.2.1. Het begin van het keizerrijk en haar glorie
1.2.2. Allerlei opstanden tijdens het keizerrijk

1.3. Trajanus en Marcus Aurelius
1.4. Ten tijde van de anarchie
1.5. De val van het Romeinse Rijk

2. De uitrusting

2.1. De gladius en pugio
2.2. De pilum en hasta
2.4. Het harnas en de helm
2.5. Het schild
2.6. Herkenningstekens

3. Indeling van het Romeinse leger

3.1. Inleiding
3.2. Indeling van het Romeinse leger
3.3. De officieren en andere rangen

4. Bestorming en beleg

4.1. Verdedigingswerken en belegeringsoorlog
4.2. De oorlogsmachines

4.2.1. De catapultae (katapulten)
4.2.2. De scorpiones (kruisboog op voet)
4.2.3. De cheioballistra
4.2.3. De onager (steenezel, wilde ezel)
4.2.4. De pluteus
4.2.5. De testudo
4.2.6. De vineae
4.2.7. De ballista of blijde (stenenwerper)

4.3. De Romeinse tactiek
4.4. Lans tegen werpspies

5. Het leger op mars en in slagorde

5.1. Het leger op mars
5.2. Het leger in de slag
5.3. De Romeinse strijdformatie

6. Het Romeinse kamp

6.1. Beschrijving van het kamp
6.2. Rondom het kamp

7. De Romeinse legionair

7.1. Discipline in het legioen
7.2. Straf en beloning
7.3. Opleiding, diensttijd en pensionering

8. De Romeinse vloot

8.1. Geschiedenis
8.2. Scheepstypen
8.3. Constructie en onderdelen
8.4. Zeeslagen
8.5. Bemanning en officieren

Bronnen

Voorwoord

Het begrip "Romeinse Rijk" roept bij alle mensen verschillende gevoelens enideeŽn op. De ťťn herinnert zich vooral de grote redenaars en filosofen van die tijd.Anderen voelen meer voor de technologische vooruitgang. En nog anderen hebben vooral oogvoor de kunst van de Romeinen die tot in de Renaissance zijn weerslag heeft gehad. Ook inhet gebieden van de politiek, de rechtsspraak, de cultuur, de medische wetenschap, …zijn de Romeinen prominent aanwezig.

Toch kon dit alles nooit verwezenlijkt zijn indien de Romeinen geen beschikking zoudengehad hebben over een leger. Inderdaad, net zoals alle andere wereldrijken in dewereldgeschiedenis is verovering de eerste stap tot het succes. Het dorpje Rome dat in 753v. Chr. zou gesticht zijn was in een millennium uitgegroeid tot een rijk dat bijna heelEuropa overspant.

Het is daarom niet oninteressant om eens kennis te maken met dit leger dat het succesvan het Romeinse Rijk heeft veroorzaakt. Hoe veroverden ze gebieden? Wat zijn debelangrijkste oorlogen en tegenstanders? Hoe stonden de Romeinen op het vlak vanbewapening? Wat was de indeling van het leger? Wie was er in dienst van het leger? Gingende veroveringen enkel via het land? Allerlei vragen die smeken om een antwoord.

Wij hopen een antwoord te kunnen geven in dit werk(je).

Inleiding

Het werk is ingedeeld in 8 hoofdstukken die elk een apart thema behandelen over hetRomeinse leger.

In hoofdstuk 1 beginnen we met een chronologisch overzicht van de militairegeschiedenis van Rome. Zo kan men direct zien hoe de theorie werd omgezet in de praktijk.Zowel de periode van de republiek als van het keizerrijk wordt belicht.

In hoofdstuk 2 gaan we dieper in op de bewapening van de Romeinse soldaat.

Hoofdstuk 3 moet een antwoord bieden op de vraag hoe het Romeinse leger was ingedeeld.De verschillende graden en onderverdelingen komen aan bod.

In hoofdstuk 4 wordt de belegering behandeld. Niet alleen de verschillendebelegeringstuigen, maar ook de tactiek wordt verklaard.

Hoofdstuk 5 analyseert het Romeinse leger in de slag en op mars.

In hoofdstuk 6 nemen we een kijkje in een Romeins kamp en proberen we een beter inzichtte krijgen in hun opbouw.

Ook het persoonlijk aspect wordt onderzocht. In hoofdstuk 7 wordt uit de doeken gedaanhoe de Romeinse legionairs werden opgeleid en behandeld werden in het leger.

Het Romeinse leger was niet alleen actief op het land. Ook ter zee konden ze aardig hunmannetje staan. In hoofdstuk 8 gaan we op boottocht langs de verschillende Romeinseschepen.

1. De militaire geschiedenis van Rome

1.1. De Republiek

1.1.1. Algemene situeringvan de situatie in de Republiek

De eerste Romeinse expansies vonden plaats in de republiek, zo kent iedereen wel hetverhaal van Horatius Cocles die alleen de houten brug over de Tiber verdedigde ende 306 Fabii, allemaal leden van hetzelfde geslacht, die oorlog voerden tegen Veji, of hetverhaal van Cincinnatus die, eenmaal zijn taak als dictator volbracht, terugkeerdenaar zijn ploeg. Zo bestaan er honderden, vaak van een uitzonderlijke moed enongelooflijke onbaatzuchtigheid getuigende, beschrijvingen van homerische gevechten. Of zenu waarheid of verzinsels zijn, is een andere vraag. Toch weerspiegelen deze verhalen eennieuwe mentaliteit: nu ze vrij zijn, willen de Romeinen hun vrijheid niet verliezen. Hetwaren oorlogen van lange adem, ze duurden 200 jaar, ze kenden ups en downs en stelden hetRomeinse uithoudingsvermogen zwaar op de proef. Zo waren er onder meer een reeks oorlogentegen de Latijnen, die tevergeefs trachtten de stad de mond te snoeren en steeds op deloer lagen voor de kleinste Romeinse fout, ook nadat ze verslagen werden nabij hetRegilla-meer in 496 v. Chr., volgens de overlevering. Vervolgens veroorzaakten meerafgelegen volkeren conflicten; dan moest men de opmars van de uit de bergen afkomstigeSabijnen een halt toeroepen. Deze nieuwe bewogen periode werd afgesloten met de inname vande Etruskische stad Veji door dictator Marcus Furius Camillus in 396 v. Chr.

De Romeinen moesten dus voortdurend vechten, zowel in het noorden als in het zuiden.Wat lag er dan toch aan de basis van zoveel oorlogen, van zoveel haat? Ongetwijfeld eenonnoemelijke angst. In die tijd verscheen er een nieuwe vijand aan de horizon, namelijk deGalliŽrs, die onder druk van de Etrusken, om EtruriŽ heen trokken, maar onverbiddelijkoprukten naar het zuiden. De Romeinen keken vol ongerustheid uit naar hun komst;tevergeefs boden ze in 390 v. Chr. weerstand aan de oevers van Allia: het Romeinse legerwerd uit de weg geruimd en Rome viel in handen van de GalliŽrs. De uitgeputte verdedigershielden het Capitool belegerd van waaruit ze onderhandelden over de terugtrekking van deGalliŽrs, tegen betaling van een fors losgeld. De werkelijkheid was dus wel veel harderdan het fraaie verhaal over de ganzen van het Capitool die door hun gekwaak de verdedigersop de hoogte brachten van de aanwezigheid van de vijand!

1.1.2. Moeilijkheden op eigen gebied

Van bij de aanvang van de republiek kende Rome ernstige maatschappelijke problemen,daar de plebejers politieke en sociale rechten opeisten. Deze interne onlusten hadden eenlang, bewogen verloop en eindigden voor de plebejers meestal met halve overwinningen.

Zo verkreeg de volkstribuun Gaius Licinius Stolo in 367 v. Chr. de invoering vande zogenaamde Licinisch-Sextische wetten. Hieraan was echter een langdurige strijd aanvooraf gegaan, die gedurende 10 jaar plebejers en patriciŽrs tegenover elkaar plaatste...

Nadat deze interne crisis overwonnen was viel Rome de Samnitische stammen die CampaniŽbelegerden, aan. Het werd een lange oorlog die 70 jaar lang duurde en waarin de Romeinenzware klappen moesten incasseren.

Tot de komst van de GalliŽrs hadden de Romeinen altijd een verdedigende houdingaangenomen. Nu begonnen ze met een aanvalsoorlog. Zo versterkten ze ook hun positie doorde oprichting van 'bondssteden'.

Er volgden nog tal van oorlogen, zoals die met Tarentum en hierbij met Pyrrhus.Tarentum viel in 272 v. Chr. uiteindelijk in Romeinse handen. Rome was in 282 v. Chr. heeren meester over ItaliŽ. De Rubicon was immers bereikt en de laatste Etruskische stad wasin 265 v. Chr. veroverd

Aan de vooravond van de Punische oorlogen werd Rome, theoretisch gezien, stilaan eendemocratie. Langzaam maar zeker was Rome op weg om de eerste wereldmacht te worden...

1.1.3. De Punische oorlogen

Dan komen we bij de Punische oorlogen die van 264 tot 146 v. Chr. duurden. Bij hetvertrek van Pyrrhus, koning van Epirus en zoals eerder verteld door de Romeinenverslagen, stonden de Romeinen en Carthagers tegenover elkaar. Enerzijds was er Carthago,een tegenstander van formaat en handelsmacht bij uitstek die vaste voet gekregen had opSiciliŽ en in het westelijke bekken van de Middellandse Zee. Anderzijds was er Rome. Dezestad was immers uitgegroeid tot heer en meester van ItaliŽ, dank zij de confederatie vanItaliaanse steden. Het was steeds weer bereid om het eigen bezit te allen koste teverdedigen. Indien Carthago zijn bezit wilde behouden moest er een eind gemaakt worden aande ware veroveringshonger van Rome; indien Rome de touwtjes in handen wilde nemen in hetmediterrane bekken, moest het Carthago aanvallen. Een oorlog was dus echt onvermijdelijken heel de wereldgeschiedenis zou van deze oorlogen afhangen.

1.1.4. De eerste Punische oorlog

De aanleiding tot de eerste Punische oorlog (264-241 v. Chr.) was een uit de handgelopen ruzie. De Romeinen noemden de inwoners van Carthago Puni of Poeniwat FeniciŽrs betekent. Hij begon op SiciliŽ, waar de Mamertijnen zich op hun terugkeermeester hadden gemaakt van Messina. De Mamertijnen waren ingehuurd door HiŽro II vanSyracuse om de Carthagers te bestrijden. Nadat ze belegerd werden door diezelfdeHiŽro en de door de Carthagers, wendden de Mamertijnen zich tot Rome. Dat zag hetmogelijke gevaar van een Carthaagse aanwezigheid aan de grenzen met ItaliŽ in en beslootin te grijpen.

Na de bevrijding van Messina zette Rome de oorlog verder, maar het bevond zich in eenhachelijke positie. Ze bezaten immers geen vloot en hoe kan men dan een vijand verslaandie alle zeeŽn beheerst? Dus bouwden de Romeinen een vloot. Al tijdens het eerste gevechtviel deze echter in de handen van de Carthagers, wat de Romeinen toch niet weerhield eentweede te bouwen. Zo behaalden ze hun eerste overwinning bij Mylae in 260 v. Chr. totstomme verbazing der Carthagers.

Trots op dit succes trachtten de Romeinen de oorlog te verleggen naar Afrika. Onderconsul Regulus landde een expeditieleger ten zuiden van Carthago, maar dit avontuurbekwam hen slecht want het leger werd verslagen en Regulus zelf werd gevangengenomen. Ervolgden nog meer nederlagen op zee, schepen gingen verloren, hetzij door de elementen envan de onervarenheid van de Romeinse zeelui, hetzij door toedoen van de vijand. DeCarthagers bleven meester op zee, de Romeinen op het land. Ze deden er dus beter aan zichop het eiland te nestelen.

Op dat ogenblik trachtten de Carthagers op hun beurt het eiland te veroveren, eenoperatie die ze toevertrouwden aan Hamilcar Barcas. De Romeinen ondernamen eenderde reeks gevechten op zee. Dankzij de vrijgevigheid van de burgers, werd een nieuwevloot gebouwd. Consul Lutatius kreeg het bevel en behaalde een schitterende overwinning inde slag bij de Aegatische eilanden in 241 v. Chr., terwijl Lilybaeum, na een beleg dat 10jaar duurde, door de landstrijdkrachten overmeesterd werd. De Carthagers moesten, totgrote woede van Hamilcar Barcas SiciliŽ ontruimen, een zware oorlogsschatting betalen,Corsica en SardiniŽ verlaten en hun expansiedrang intomen. Aldus eindigde de eerstePunische oorlog die 23 jaar lang geduurd had en de Romeinen 700 en de Carthagers 500schepen gekost had. Haat en wrok bleven het wantrouwen van de tegenstanders aanwakkeren.

Het leger van Carthago, dat hoofdzakelijk bestond uit huurlingen die ontevreden warenmet de gang van zaken en het uitblijven van de uitbetaling van hun soldij, kwam in opstanden blokkeerde de stad. Nu volgde een verbeten, brutale oorlog, gevoerd door een stelletjehuurlingen dat niets te verliezen had en Carthago de stuipen op het lijf jaagde. Tenlangen leste slaagde Hamilcar Barcas er met de hulp van de Numidische cavalerie in dezebloedige revolte te onderdrukken.

Ondertussen maakte Rome van de Carthaagse zwakheid gebruik om SardiniŽ te veroveren,de GalliŽrs te verdrijven uit de Po-vlakte en de Illyrische kust te onderwerpen, waardoorde Adriatische zee bevrijd was van piraten. Hamilcar Barcas bleef evenmin werkeloostoekijken. Hij accepteerde zijn nederlaag niet en wilde zich kost wat kost wreken op Rome,dus besloot hij op eigen houtje te handelen. Hij verliet Carthago en vertrok naar Spanje.Hij veroverde het landsdeel tot aan de Ebro. Na zijn dood werd zijn politiek verdergezetdoor zijn schoonzoon Hadrusbal die onderhandelde met Rome en niet meer dacht aanveroveringen. Na diens dood in 221 v. Chr. kwam Hannibal, Hamilcars zoon, aan demacht. Toen veranderde alles.

1.1.5. De tweede Punische oorlog

De tweede Punische oorlog die duurde van 219 tot 202 v. Chr., zou, zo wordt door bijnaiedereen aanvaard, grotendeels door Hannibal veroorzaakt zijn. Hij was op dat ogenblik 25jaar oud, en opgevoed in haat tegen Rome. Hij kon rekenen op een krijgsvaardig, gehardleger, hij bezat de Spaanse rijkdommen. Hij kon er ook oprecht op rekenen dat overal waarhij voorbijtrok, de pas onderworpen volkeren in opstand zouden komen tegen Rome. Tenslotte bezat hij talent, durf, elan en was hij een begaafd tacticus.

De Romeinen waren enigszins bezorgd over de komende oorlog want ze hadden, nog nietafgerekend met de GalliŽrs en de IllyriŽrs waren amper onderworpen. Men kon nooit wetenof ze van de situatie gebruik zouden maken om in opstand te komen. Daarop rekendeHannibal! Hannibal wees een ultimatum van de Romeinen af en kreeg volmachten van deCarthaagse regering; aan het hoofd van een leger van 90.000 manschappen, 9.000 ruiters en38 olifanten vertrok hij uit Spanje. Toen Hannibal in het najaar van 218 v. Chr. in dePo-vlakte aankwam was zijn leger natuurlijk fel geslonken, door alle ontberingen. Het iszelfs verwonderlijk dat hij met heel zijn leger over de Alpen is geraakt! Volgens Polybiusbeschikte hij op dat moment nog slechts over 20.000 voetknechten en 6.000 ruiters. Maarwat zou het! Kon hij immers niet rekenen op de GalliŽrs?

Ondertussen was consul Scipio opnieuw vertrokken uit Marseille. Hij ontscheeptein Pisa en haastte zich naar het noorden. Zijn verbazing was groot toen hij op Hannibalstuitte. Zelfs toen Scipio de RhŰne bereikte dachten de Romeinen dat hij nog in deomgeving van de PyreneeŽn vertoefde. De Romeinen waren dus helemaal verkeerdgeÔnformeerd. Reeds bij het eerste treffen, aan de oevers van de Ticino, werden deRomeinen onder de voet gelopen. Misleid door de krijgslisten van Hannibal, werd hetRomeinse leger in de vroege ochtend vermorzeld in de bedding van de Trebia. De consulstrokken zich terug. Hannibal kon ongemoeid naar Rome oprukken, geholpen door de GalliŽrs.

Hannibal bracht het Romeinse leger nog een nederlaag bij, op de ochtend van 21 juni 217v. Chr., op een smalle vlakte naast het Trasimeense meer. Deze Romeinen werden letterlijkafgeslacht. Hun consul sneuvelde eveneens. Het nieuws bereikte Rome waar al snel gehelepaniek ontstond en men verwachtte dat de ondertussen ťťnogige Hannibal Rome snel zoubinnenvallen. Dit gebeurde echter niet en de rust keerde terug in de eeuwige stad. DeRomeinse Senaat besloot een dictator te benoemen, te weten Quintus Fabius MaximusCunctator. Hij was een eminent lid van ťťn der beroemdste families van Rome. Hijwas ervan overtuigd dat de Romeinen de Carthagers onmogelijk in open veld konden verslaan,daarom begon hij hen op de hielen te zitten, hun bevoorrading te bemoeilijken, defoerageurs te verrassen, kortom de tegenstander uit te putten en die zou het invijandelijk gebied allesbehalve makkelijk hebben om terug op krachten te komen.

Weldra had het Romeinse volk echter genoeg van deze tactiek, die scheen te mislukken.Twee nieuwe consuls kregen de opdracht de Carthagers uit te schakelen, Lucius AemiliusPaulus en Gaius Terentius Varro. Paulus was voorstander vaneen defensieve strategie, net als de senaat. Varro verkoos de strijd, net als het volk.

1.1.5.1. Beschrijving van de slag bij Cannae

Hannibal profiteerde van deze tegenstellingen om Varro mee te slepen in een gevechtvanuit een ongunstige positie, nabij Cannae. Het volgende schema geeft de situatie watbetreft manschappen weer van de Romeinen tegenover Hannibal.

Romeinen Hannibal
Infanterie Infanterie

8 legioenen: 40.000

Cohorten der bondgenoten: 40.000


Afrika: 10 ŗ 12.000 (4000 licht)
Spanje: 7 ŗ 8.000 (4000 licht)
Kelten: 20 ŗ 25.000 (waarvan sommige licht)
Cavalerie Cavalerie

Legioenruiters: 2.400
Cohorten der bondgenoten: 3.500 ŗ 4.000

NumidiŽ: 4.000
Spanje: 2.000
Kelten: 4 ŗ 5.000

Hannibal is gelegerd aan de overzijde van de Aufidus. Rome zendt 2/3 van zijnstrijdmacht om zich tegenover hem te legeren. De rest blijft aan de andere kant van derivier om de Carthaagse bevoorrading te beletten. De Romeinen stellen zich in slagorde op.Hannibal volgt hun voorbeeld. Door de nauwte van de vlakte is de Romeinse formatie extradiep. Zij willen het centrum van Hannibal verpletteren. Hannibal vestigt zijn hoop op zijnruiterij en detacheert zijn zware ruiterij op de linkervleugel en de NumidiŽrs op derechter. Hij stulpt zijn centrum voorwaarts ten koste van de beide flanken om de opmarsvan de legioenen te vertragen. De Afrikaanse infanterie houdt hij in reserve op de beidepunten van zijn halve maan. Beide zijden laten kampbewaking achter - de Romeinen mikkenerop Hannibals kamp in te nemen.

De slag opent met schermutselingen. Hannibals linkervleugelruiterij krijgt bevel tot deaanval en stort zich op de Romeinse rechtervleugel, die wijkt onder hun veel groteraantal. Bij het eerste treffen van de zware infanterie worden de Spanjaarden en Keltenteruggedrukt. De NumidiŽrs vechten heen en weer met de ruiterij van de Romeinsebondgenoten, terwijl Hadrusbal zijn zware cavalerie langs de achterhoede van de Romeinseinfanterie leidt naar de bondgenoten. Onder deze bedreiging breekt hun linie en ze sleurenVarro met zich mee. Intussen heeft de halve maan standgehouden en nu rukken de Afrikanenop de flanken hiervan in colonnes op om zich daarna naar binnen te begeven.

Hadrusbal beukt op de Romeinse achterhoede, terwijl de Carthaagse lichte troepen dezemede bestoken en tegelijk hun eigen centrum blijven ondersteunen. Paulus beoogt deRomeinen aan het vechten te houden en ontbindt daartoe zelfs zijn eigen strijdmacht, maarzonder resultaat. 45.500 infanteristen en 2.700 ruiters sneuvelen. 300 ŗ 500infanteristen en 1 ŗ 2.000 ruiters worden gevangen genomen. Paulus, Servilius en Minutiuszijn dood. De 7.000 naar het kleine kamp en de 2.000 naar Cannae ontsnapten worden alsnogomsingeld en gevangen genomen. Hannibal neemt beide kampen in en maakt nog meergevangenen. Zijn verliezen bedragen slechts 6 ŗ 8000 infanteristen.

Deze gedenkwaardige slag, de grootste ramp die Rome ooit had meegemaakt, illustreerteens te meer de uitzonderlijke strategische begaafdheid van Hannibal: de gevechtslinie vanzijn voetknechten, die van bolrond naar holrond evolueerde, was een geniale vondst. Cannaeis het schoolvoorbeeld van een omsingelingsslag maar het veronderstelde wel een ruimekennis van mensen, plaats en middelen. Hannibal liet immers niets aan het toeval over,alles werd afgewogen voor de uiteindelijke beslissing werd genomen. Deze veldslag heefteeuwenlang tot de verbeelding van grote leiders en historische figuren gesproken. Napoleonbijvoorbeeld trachtte hem na te bootsen.

1.1.5.2. Na de slag bij Cannae

Na een dergelijke nederlaag mochten de Romeinen zich aan alles verwachten, zeker aan dekomst van de Carthagers want voor de tweede maal was de kust vrij. Maar Hannibal aarzeldevoor de tweede maal en hij schoof een beslissing op de lange baan. Daardoor verloor hijkostbare tijd, die de Romeinen dan weer ten volle benutten. Maharbal maakte devolgende opmerking over hem: Vincere scis, Hannibal, sed victoria uti nescis (Gijverstaat de kunst te overwinnen, Hannibal, niet die om van de overwinning gebruik temaken).

Hannibal en zijn soldaten hadden zich in CampaniŽ gevestigd, waar ze het best naar hunzin hadden. Daar Carthago weinig geneigd was om Hannibal ter hulp te snellen, kwam hij ineen geÔsoleerde positie terecht en ten slotte richtte hij zich tot MacedoniŽ en PhilippusV die hem bijstand beloofde. Later kwam Publius Cornelius Scipio, later omgedoopt tot Africanus.Hij slaagde erin het hoofd te bieden aan zijn vijanden, in dit geval de Carthagers. Hijwas een uitzonderlijk militair talent en kende geen nederlagen. In vier jaar tijdheroverde hij dan ook alle Carthaagse bezittingen in Spanje en blies Rome nieuw leven in.

Hasdrubal, die uit Spanje was weggevlucht voor Scipio omdat hij zijn broer hulp wildegaan bieden, kwam via de PyreneeŽn, de Languedoc en de Alpen, in 207 v. Chr. aan deoevers van de Metaurus terecht, een klein riviertje in Midden-ItaliŽ. Hij stond er oog inoog met het Romeinse leger. Dankzij een gedurfd manoeuvre van consul Claudius Nerodie, ondanks Hannibals troepen, er niet voor terugdeinsde om met een deel van zijn legerhet kamp te verlaten ten einde zijn collega Livius Salinator te gaan helpen,behaalden de Romeinen de overwinning. Na de veldslag keerde Nero vliegensvlug terug naarzijn kamp, eer Hannibal een vermoeden had van zijn afwezigheid. Hannibal vernam zijnnederlaag en de dood van zijn broer en op dat ogenblik keerde alles zich tegen hem: hetland werd hem vijandig gezind en sloot zich opnieuw aan bij Rome. De senaat jubelde!

Scipio stelde dan voor aan de senaat de oorlog verder te zetten op Afrikaansgrondgebied, wat ook gebeurde, na de steun te verkrijgen van de Numidische koning Masinissa.Carthago riep haastig Mago terug, die in Noord-ItaliŽ een guerrilla voerde en ookHannibal wiens bestaan het zich plots herinnerde. Deze laatste aarzelde niet aangezienzijn situatie, na 17 jaar op Italiaanse bodem te hebben doorgebracht, onhoudbaar werd. DeCarthagers kregen door zijn komst opnieuw moed en bereidden zich voor op de beslissendeslag die in 202 v. Chr. plaatshad in Zama. Het werd een vreselijke strijd die na een daglang vechten kritiek leek voor Rome, maar toen verschenen eindelijk de ruiters vanMasinissa, en Rome behaalde de overwinning.

1.1.6. De strafexpedities(Macedonische oorlogen)

De strafexpedities, ook wel gekend als de drie Macedonische oorlogen, duurden van 205tot 146 v. Chr.

Van sommige vorsten en volkeren kon Rome niet vergeten dat ze Hannibal geholpen hadden.Met als voornaamste natuurlijk Philippus V en dus MacedoniŽ. Alles verliep heel snel, in197 v. Chr. werd Philippus V bij Cynoscephalae verpletterd door het Romeinse leger onderhet bevel van consul Flaminius. Eenmaal deze verslagen, was er een andertegenstander die men een lesje wilde leren: Antiochus III van SyriŽ,beschermheer van Hannibal die door hem opgenomen was. Deze werd ook verslagen in 189 v.Chr. bij Magnesia waar hij 50.000 manschappen verloor.

Enkele jaren later kwam MacedoniŽ nogmaals in opstand, onder koning Perseus. Ineen veldslag die amper ťťn uur duurde verloor Perseus 20.000 manschappen en ditbetekende het einde van de droom van Perseus. Toen Griekenland enkele jaren later inopstand kwam, maakte de verwoesting van Corinthe een einde aan zijn onafhankelijkheid.Samen met MacedoniŽ werd het de eerste provincia of Romeinse provincie.

Rome vreesde de heropleving van de stad Carthago en in 146 v. Chr. werd ze dan ookcompleet veroverd. Rome herademde en niets kon de Romeinse legioenen nog tegenhouden!

1.1.7. Intern conflict en heteinde van de republiek

Met de creatie van een wereldrijk kreeg Rome opnieuw interne conflicten. Het begonallemaal met de rijke optimates, maar dat doet hier niets ter zake. Conflictentussen aristocratie en het volk waren onvermijdelijk. Bij deze rellen sneuvelden degebroeders Gracchus.

De expansie van het rijk ging verder. In 106 v. Chr. werd Jugurtha eindelijkonderworpen. Maar de incidenten gingen verder. Er moesten duidelijk nieuwe wetten komenten voordele van het volk, want de massa die 317.933 burgers telde, werd gevaarlijk! Latervolgde, na overwinningen op Cimbren en Teutonen en nog andere volkeren, de 4 jaar durendeBondgenotenoorlog, de bondgenoten vonden het immers oneerlijk dat Rome zomaar over hungronden kon beschikken. De senaat behaalde de overwinning maar kende niettemin hetopgeŽiste burgerrecht toe. Er volgde nog een oorlog tegen Mithridates, die zijnterritorium had uitgebreid tot voorbij het aan hem toegestane gebied. Mithridates gaf zichuiteindelijk over en deed afstand van al zijn veroveringen. In 71 v. Chr. werd de alombekende Spartacus en zijn slavenleger voorgoed het zwijgen opgelegd. In 67 v. Chr.zuiverde Pompejus de zeeŽn van alle piraten en schakelde hun roversnesten uit.Diezelfde Pompejus veroverde in 64 v. Chr. SyriŽ en in 63 onderwierp hij de joden. Romeging rond deze tijd gebukt onder immense corruptie en wilszwakte. Eťn man zag dat in: GaiusJulius Caesar. Hij behaalde grote overwinningen zoals op de Kelten, deSueven, ... Hij was de veroveraar van quasi heel GalliŽ en rukte zelfs op naar Brittania!Hij kende geen enkele nederlaag gedurende 15 jaar tijd. Later werd Caesar vermoord, zodathij niet lang kon genieten van zijn dictatorschap.

Tijdens het tweede triumviraat was er ook nog de slag bij Actium, die Octavianuswon. Cleopatra en Antonius, die in de strijd weggevlucht waren, pleegdenzelfmoord. Dertien jaar lang had Octavianus een verbeten strijd geleverd en nu was hij deonbetwiste leider in het westen ťn in het oosten. Rome kende op dit ogenblik een nooitgekende macht rond de Middellandse Zee. Octavianus, Augustus, werd de eersteRomeinse keizer!

1.2. Het Keizerrijk

1.2.1. Het begin van hetkeizerrijk en haar glorie

Onder het bewind van keizer Augustus kende Rome niets anders dan vrede. De PaxRomana of Romeinse vrede spreekt voor zich, de grenzen van het rijk werden vastgelegden omgeven door soldaten. Er waren dus weinig of geen oorlogen. Niet omdat er geen onvredezou zijn, maar de onderworpen volkeren wisten hoe nutteloos een opstand zou zijn en hetleek hen dus beter samen te werken met de Romeinen. Augustus regeerde 45 jaar, wat hetbewijs is van zijn geslaagd beleid. Hij overleed in 14 n. Chr.

1.2.2. Allerlei opstanden tijdenshet keizerrijk

Onder Nero, lid van het Julisch-Claudische Huis, kwam het leger in opstand. Nu volgdede ruzie om de opvolging, na de zelfmoord van Nero. Uiteindelijk werd Vespasianusde opvolger. Hij had een opstand van de joden onderdrukt. Later kon Titus definitief dejoodse opstand onderdrukken door Jeruzalem te veroveren, de tempel te verwoesten en eengroot aantal joden te vermoorden. Onder Domitianus werden de christenen dan weerhet slachtoffer van diens waanzin. Dit zijn allemaal kleine opstanden, zonder dat er echteoorlogen gevoerd werden...

1.3. Trajanus en Marcus Aurelius

Onder Trajanus was het Romeinse rijk het grootst. Hij richtte zijn aandacht ophet oosten. Hij voerde een 3 jaar durende veldtocht en lijfde ArmeniŽ in bij zijn rijk.En hij veroverde ook nog MesopotamiŽ tot bij Ctesiphon tijdens deze oorlog. Hij stierf in117.

Na hem volgde een vreedzame periode tot bij keizer Marcus Aurelius. Numoest het keizerrijk echt worden verdedigd. Na zovele jaren vrede werd de druk van deBarbaren inderdaad alsmaar groter. Het begon in de OriŽnt waar ťťn van zijn veldherende oorlogen tegen de Parthen inzette. Marcus nam de leiding over de opeenvolgendeveldtochten naar de Donau, waar de legioenen het bijzonder moeilijk hadden om de invallenvan de Germanen af te slaan. Volksstammen zoals de Marcomannen waren opgerukt totNoord-Grieknland en ItaliŽ en vormden een ernstige bedreiging voor de Romeinse limes.In afwachting van ze definitief te kunnen terugdringen, voerde Marcus Aurelius zelfsoorlog over de grenzen en dacht hij er een tijdlang aan de limes te verplaatsen totaan de Karpaten. Hij overleed echter in 180. Na de dood van zijn zoon in 192 heerste erchaos en verwarring. De Romeinse macht stortte ineen.

1.4. Ten tijde van de anarchie

Het Romeinse Rijk brokkelde langzaam maar zeker af: de legers stelden keizers aan enaf, Barbaren trokken over de limes. Er ontstonden koninkrijken. Provincies riepende onafhankelijkheid uit. Men behaalde nederlagen tegen de Goten, de Perzen, verschillendeusurpators, Barbaren, ... Ten tijde van Aurelianus werd GalliŽ terug onderworpen,en ook Palmyra. Hij schiep orde in het rijk, maar toch bleef het Romeinse Rijk slechts eenschim van wat het ooit geweest was. Later kende het rijk weer welvaart onder Diocletianusen werd de val ervan uitgesteld.

1.5. De val van het Romeinse Rijk

Het Romeinse Rijk brokkelde meer en meer af. De Franken en Goten vestigden zich in hetrijk onder Theodosius en andere volken trokken door tot in PannoniŽ. Men kon de situatieniet langer aan, dus werden de vijandelijke troepen ingelijfd. Na zijn dood ging het rijklangzaam ten onder aan tal van oorlogen. In 476 werd de laatste West-Romeinse keizerafgezet. De glorie van een te groot rijk was verdwenen. De militaire overwinningenwaarvoor gestreden was door een prachtig leger werden veroverd door barbaarse stammen.Rome was niet meer. De Middeleeuwen begonnen.

2. De uitrusting

2.1. De gladius en pugio

De gladius (rechts gedragen) was een kort, ongeveer 55 cm lang zwaard. Het werd nietzozeer gebruikt om mee te houwen, maar meer om mee te stoten. Het was een steekzwaard endus zeer effectief tegen ongeharnaste GalliŽrs. Het was echter wel aan beide kantenvlijmscherp geslepen. Het gevest van het zwaard was dikwijls van hout, maar men gebruikteook been en ivoor. De pugio (links gedragen) was een kleine dolk. Beide waren van Spaanseherkomst, gekopieerd van Spaanse herkomst, gekopieerd door de Romeinen.

2.2. De pilum en hasta

De pilum was een metalen werpspies met een lichte en dunne houten schacht. Hetongeveer anderhalve meter lange wapen kon tot op een afstand van 25 tot 40 m doeltreffendworden geworpen. Aan de metalen punt zaten twee weerhaken, zodat de pilum eventueel in hetschild van de tegenstander bleef steken, waardoor dit onbruikbaar werd. De hastawas een zware lans, die bijna 4 m lang was, was geen werp- maar een stootwapen. De hastativormden een muur van hoge schilden, waaruit de lange hasta’s dreigend naar vorenstaken.

2.4. Het harnas en de helm

Op het slagveld werden de soldaten beschermd door een galea of helm, een kurasof borstplaat en beenbeschermers. De helm kon van hard leer zijn, eventueel met metalenplaten versterkt, of geheel van metaal. Ook het kuras was van leer of metaal. In de latekeizertijd droegen de soldaten wel maliŽnkolders, hemden van metalen ringen of plaatjes.Het harnas van metalen stroken werd aan de binnenkant bijeengehouden door leren banden.Het werd pas in de 1e eeuw n. Chr. ontworpen. Het was heel soepel maar zwaar,en de soldaten moesten elkaar helpen bij het aantrekken en dichtrijgen. Onder het harnaswerd een ruige wollen tuniek gedragen, die tot halverwege de dijen reikte. Aanvankelijkdroegen de Romeinen geen broeken, maar geleidelijk kwamen korte broeken in de mode.

2.5. Het schild

Het schild (scutum) van de velites was klein, rond en meestal van metaal. Dezwaarbewapende soldaten droegen een groot rechthoekig schild van hout, dat met leer ofmetaal was overtrokken. Dit schild was ongeveer 1 m 40 hoog en 90 cm breed.

2.6. Herkenningstekens

Aanvankelijk werd in het legioen een vaandel meegedragen, waarop meestal een dier wasafgebeeld. In de 1e eeuw v. Chr. onstond de standaard, die werd bekroond dooreen metalen adelaar. Aan deze standaard hingen ook de eretekens, die het legioen op hetslagveld had verworven. De standaard werd gedragen door de aquilifer ofarenddrager, die in de gelederen van de triarii werd opgesteld. Onder geen voorwaardemocht de standaard in handen van de vijand vallen. Ook de verschillende centuries droegenherkenningstekens op standaards, zodat ze in het strijdgewoel altijd te herkennen waren.

3. Indeling van het Romeinse leger

3.1. Inleiding

Dat Rome er gedurende zo'n lange periode in slaagde de wereld te overheersen, is vooralte danken aan de legioenen. Ten tijde van de Punische oorlogen had het Romeinse legernagenoeg zijn definitieve samenstelling en het zou niet meer veranderen, tenzij wat derekrutering der legioenen en het aantal manschappen betreft.

3.2. Indeling van het Romeinse leger

Het consulaire leger, dat aanvankelijk vier legioenen omvatte, werd aangevoerd door detwee consuls die in oorlogstijd om beurten het bevel voerden. Ze losten mekaar dagna dag af. Al bestond het leger officieel slechts uit vier legioenen, toch groeide hetaantal aan volgens de behoeften. Elk legioen bestond uit zes tot tien cohorten,aangevoerd door militaire tribunen, die benoemd werden door het volk of door de consuls.Als men hun aantal moest opvoeren, deed men dat met veteranen. Iedere cohorte was eencombinatie van drie manipels, elk bestaande uit twee centuriae en een centuriawas een afdeling van honderd soldaten onder leiding van een centurio. In het beginvan de republiek betekende dat dus een effectief van 4.200 manschappen per legioen, maarhet aantal dienstdoende manschappen werd wel eens opgevoerd. Onder Marius werdenhet legereenheden van beroepssoldaten. De centuriones, de 'hoofdmannen overhonderd', konden de militaire ladder beklimmen en primipilus worden of andersgezegd oppercenturio van de eerste manipel van de eerste cohorte; die bezat het recht omdeel te nemen aan de stafvergadering en om de militaire tribuun te vervangen.

De jongste en de armste rekruten vormden het korps der velites. Dat was delichte, mobiele infanterie, die lichtbewapend was en minder goed beschermd voor hetgevecht. Volgens de financiŽle middelen volgden dan de hastati, volgenslichamelijke kracht de principes en ten slotte de veteranen, die de benaming triariikregen.

Naast het legioen had men de cavalerie waarvan de rijkste burgers deel uitmaakten, maaromdat die voortdurend ontoereikend was, duurde het vele jaren eer de Romeinen de ruiterijnaar waarde schatten of ze inzetten voor het gevecht. Ze deden liever een beroep op hunbondgenoten. Naast de Romeinse legioenen eiste Rome van zijn bondgenoten specialecontingenten onder het bevel van hun eigen officieren en van een prefect, diebenoemd werd door de consuls. Daarnaast maakte Rome eveneens gebruik van hulptroepen, die,vooral vanaf de tweede Punische oorlog, gerekruteerd werden in veroverde provincies oflanden.
De gevechtsopstelling was gebaseerd op een onveranderlijke tactiek: in de frontlinie, hetkorps der velites die de eerste schok moesten opvangen, dan achtereenvolgens de hastati,de principes en de triarii. Daarbij volgde men de zogenaamde 'manipulaire tactiek', dieonder de noemer gevechtstactieken valt en hier dus niet besproken wordt. Het bijgevoegdeschema met uitleg toont alles op een begrijpelijke manier.

3.3. De officieren en andere rangen

De centuries, waaruit het Romeinse leger bestond, stonden onder deskundige leiding vancenturio's, mannen aan wie het bevel was toevertrouwd op grond van hun bewezenverdiensten. Het Romeinse leger gebruikte een militaire hiŽrarchie die wij heden ten dagenog kennen - een systeem van officieren en andere rangen. Centurio's waren vergelijkbaarmet onze onderofficieren, die op grond van hun prestaties op het slagveld en hun gedrag inhet legerkamp werden bevorderd. De militaire tribunen waren, evenals de hoofdofficieren,de consuls en praetors, oorspronkelijk aangewezen om politieke functies uit te oefenenbinnen het Romeinse staatsbevel en zij kwamen dan ook doorgaans voort uit de hogere,politiek invloedrijke standen.

Er werden 6 militaire tribunen aangewezen voor elk legioen en deze aanwijzinggeschiedde aanvankelijk steeds door een consul (eerder praetor), die in normale tijden hetbevel voerde over twee van de vier gelichte legioenen. De consuls deelden als collega'shet leger tussen hen beiden. Later geschiedde de keuze van de 24 militaire tribunen voorde vier opgeroepen legioenen niet meer door de consuls, maar door een volksvergadering. Dedoor de volksvergadering uitgekozen tribunen bleven aan voor ťťn jaar. Diegenen die dooreen militaire bevelhebber waren aangesteld bleven net zolang in functie als zijzelf. Demilitaire tribunen moesten ten eerste oudere officieren zijn en voorts verscheidene jarenmilitaire ervaring hebben opgedaan vůůr hun benoeming. In de praktijk koos men echternogal eens jongelui, van wie de leeftijd een al iets uitgebreidere militaire ervaringonmogelijk maakte. Ze hadden dan hun benoeming te danken aan hun rijke en invloedrijkeafstamming. Een belangrijk deel van de taak van een krijgstribuun bestond oorspronkelijkhierin, dat zij nieuwe troepen moest oproepen. In vredestijd was er ieder jaar een nieuwelichting. Rekruten moesten zich dan al naargelang hun 'stam' of tribus (een lokaleindeling, onderscheiden van de stadsindeling) melden. De distributie van de rekruten overde vier legioenen was gebaseerd op een selectie, uitgevoerd door de tribunen.

Praetor was de oorspronkelijke titel voor de twee magistraten, die na deafschaffing van het koningschap de macht deelden. De militaire functies van de praetorworden ons in de geschiedenis duidelijk voorgesteld en bijvoorbeeld het hoofdkwartier ineen Romeins legerkamp heeft nog lang de naam praetorium gedragen. Al betrekkelijkvroeg vervangt men de titel van praetor door die van consul, maar voornamelijk door hetspel van allerlei politieke krachten kwam het ambt van praetor weer tot leven, maar nu alssteunfunctie voor de consulaire macht.

In tijd van nood werd er ťťn enkele dictator aangesteld met absolute macht, maar ditalleen maar voor de maximumperiode van 6 maanden, de normale lengte van de tijd, geschiktvoor de oorlog. Deze dictator benoemde dan zijn eigen plaatsvervanger, die de rang van magisterequitum kreeg (hoofd van de ruiterij).

De bondgenoten, die in tijd van oorlog werden opgeroepen om Rome te helpen, stondenonder het bevel van prefecten (praefecti), Romeinse officieren dus.

De 300 aan elk legioen verbonden ruiters waren in ieder geval in de 3e eeuw ingedeeldin 10 eskadrons (turmae) en verder onderverdeeld in decuriae, die elk onderhet commando van een decurio stonden, wiens rang vergeleken kan worden met die vande centurio bij de infanterie.

4. Bestorming en beleg

4.1. Verdedigingswerken enbelegeringsoorlog

In de oudheid streed men, evenals in de Middeleeuwen, op open veld met de wapens in dehand. Pas na de uitvinding van het buskruit bediende de voor de slag opgestelde infanteriesamen met de artillerie, de grote zware oorlogsmachines, die men op speciale voertuigenmoest vervoeren en pas in de nabijheid van het slagveld op een stevig fundament konplaatsen. Maar ook de krijgskunst van de Romeinen kende en gebruikte veel oorlogsmachines.Alleen dienden deze zonder uitzondering voor de belegering. Belegeringen en veroveringenvan steden waren in de oorlogsgeschiedenis van de Romeinen helemaal niet zeldzaam. Maarook de fortificaties van steden in het midden van het land, aan de kust of op strategischbelangrijke punten werden steeds meer verbeterd. De belegerings- en versterkingstechniekbereikte in de Hellenistische tijd door de uitvindingen van de Grieken een opmerkelijkhoog niveau. De Romeinen namen die van de Grieken over. Zij immers hadden gelegenheid,enige van deze geweldige verdedigingswerken van het Middellandse-Zee-bekken van vlakbij teleren kennen en met inzet van hun leven het weerstandsvermogen daarvan te beproeven. JuliusCaesar moest in de loop van zijn talrijke veldtochten voortdurend steden enstrategisch belangrijke punten veroveren of versterken. Van enige van deze fortificatieshebben we in zijn "Commentarii" nog nauwkeurig beschrijvingen:archeologische opgravingen hebben overblijfselen van andere versterkingen aan het lichtgebracht. Een van de moeilijkste belegeringen door Caesar in het voorlaatste jaar van deGallische oorlog was die van Avaricum. De stad was door een muur van stenen en boomstammenomgeven. Caesar liet langs deze muur een aarden wal (agger) van 24 m hoogteopwerpen, en daarop een stormkat opbouwen, een houten loods ter bescherming van debelegeraars (vinea). Op het dak daarvan had men pas afgestroopte huidenuitgespreid, om te verhinderen, dat het hout door de brandende voorwerpen, die door devijand geworpen werden, in brand raakte. Andere vineae, die naar de muur leidden,maakten het mogelijk, de houten torens, van waaruit men de verdedigers kon treffen, dichtbij de stadsmuur te brengen. In het algemeen onderscheidde men drie fasen van eenbelegering: de keus van het punt van aanval en de opstelling van de troepen op degeschikte plaatsen, het insluiten van de versterkte plaats; het naderen van de muur,zonder zich daarbij aan de vijandelijke projectielen bloot te stellen en ten slotte vaneen bres en de bestorming van de stad.

4.2. De oorlogsmachines

Bij de belegering gebruikte men twee soorten machines, de tormenta, grotewerpmachines, die met onze artillerie vergeleken kunnen worden, waartoe men de catapultae,de ballistae, de scorpiones en onagri telde. De andere machines,zoals de plutei, testudines, vineae, musculi, arietes, falcesen turres dienden ervoor, de aanvallende soldaten tegen een beschermende vijand tedekken.

4.2.1. De catapultae (katapulten)

De catapultae hadden slechts een gering gewicht en slingerden pijlen en lansenin bijna horizontale richting. De ballistae daarentegen konden stenen en grotepijlen slingeren; hoe zwaarder het projectiel, des te steiler de baan. Omdat ze zelfs nogonder een hoek van 45 troffen, gebruikte men daarvoor, muren of andere hoge hindernissente overwinnen.

4.2.2. De scorpiones (kruisboog op voet)

De scorpiones waren kleine katapulten, die zelfs door een man alleen gedragenkonden worden; zij bestonden uit een ijzeren boog, die met een pees of darmsnaar werdgespannen. Deze werden ook uitvoerig beschreven door Vitruvius (een van Caesarsingenieurs) en een van de meest voorkomende kalibers, een drievoudige spanmachine bestemdom houten van 67 cm af te vuren. Deze beschikt over ovalen windgaten en is voorzien vanspanhaken om een sterke winding te kunnen verkrijgen. Vele schietbouten, bestemd voor dezetoestellen zijn bewaard gebleven. Ze zijn in de regel voorzien van een kegelkop(piramidevorm)

4.2.3. De cheioballistra

De volgende belangrijke verbetering in de katapultontwerpen bestond in de invoering vanmetalen frames, die plaatsvond enige tijd voor het jaar 100. Deze waren steviger dan dehouten ramen, zodat de veren verder uit elkaar konden worden geplaatst en de (op)windhoekdus nog verder kon worden verbreed. Ook op de blijden werden deze metalen spanrameningevoerd. De veren bevinden zich in de bronzen cilinders om hen tegen de weersinvloedente beschermen. Het ruimere framekader vergemakkelijkte het richten, terwijl de kleine booghet zorgvuldige mikken bevorderde.

Op pagina 24 laten de schema’s van boven naar onder zien: een Griekse kruisboog,een scorpio en een cheioballistra. Deze verbeteringen geven een versterking van hetopwindvermogen te zien en dus ook van de vuurkracht.

4.2.3. De onager (steenezel, wilde ezel)

De onager werd gevormd door een houten kistje, waarover horizontaal bundels pezen warengespannen. Daaraan was een hefboom gevestigd, die boven in een soort lepel uitliep, waarinmen de projectielen (gewoonlijk stenen) legde. Om het projectiel te kunnen slingeren, trokmen de hefboom met een windas uit zijn verticale stand naar beneden in de horizontale.

Deze eenspakige katapult wordt al in 200 v. Chr. vermeld door Filoon en nogmaals doorApollodoros circa 100 n. Chr., maar kwam pas algemeen in gebruik in de 4e eeuw, toen hijwerd beschreven door Vegetius en Ammianus. Het werkingsprincipe is dat van een eenvoudigemuizenval, maar ze wogen wel 160 pond. Grote machines als deze werden door acht manopgewonden. Het trekkersmechanisme kan hierbij duidelijk worden waargenomen en degrendelbout werd gewoonlijk met een hamer losgeslagen om een vlotte lossing te verzekeren.De machine moest worden opgesteld op een stevige aarden of stenen ondergrond. Hij kon nietvanaf muren worden gebruikt, omdat de zware terugslag daarvoor een te hevige trillingveroorzaakte. In vergelijking met de twee-armige katapulten vertoont dit werktuig eengrote eenvoud aan constructie, die onderlinge afstemming ook overbodig maakt, maar van deandere kant bemoeilijkt hij door zijn zwaarte de manoeuvreerbaarheid.

4.2.4. De pluteus

De pluteus was een half cirkelvormig met huiden bedekt afdak van wilgentenen,dat men op drie wielen tegen de muren schoof; onder bescherming daarvan konden de soldatenvoorwaarts komen.

4.2.5. De testudo

De testudo was een stevig getimmerd schilddak van hout met vier of zes wielen(soms ook zonder wielen, maar alleen met schilden); onder de bescherming daarvan konden desoldaten tot dicht bij de vijandelijke muur komen, oneffenheden in het terrein vlak maken,greppels volgooien en de fundamenten van een muur ondergraven.

4.2.6. De vineae

De vineae waren houten loodsen op wielen met een schuin dak van planken ofgevlochten wilgentakken. Velen daarvan naast elkaar vormden een soort gaanderij, die hendicht bij de vijandelijke muren bracht. Onder de bescherming daarvan konden de soldaten destormram en andere belegeringsmachines bedienen, om bressen te slaan of de muren teondergraven. Op de testudines leken de musculi. De stormram (aries) bestonduit een dikke balk van 20 tot 60 m lengte met een ijzeren kop; men hing deze met kettingenin een stellage van balken. Een bepaald aantal mannen – het aantal hing af van delengte van de balk - stootte deze heen en weer, om bressen te slaan in de muur van devijand. De falces waren lange stangen, die vooraan een cirkelvormig ijzer hadden.Ook deze werden gebruikt voor het omverhalen van de muren. Om de belegeraars op dezelfdehoogte als de stadsmuren te brengen, bouwde men op wielen beweegbare houten torens (turesambulatoriae) die men met ijzer en dikke vellen bedekte. Zij hadden drie tot tienverdiepingen. In de onderste bouwde men een stormram in, en de bovenste bevattenverschillende soorten van ophaalbruggen.

4.2.7. De ballista of blijde(stenenwerper)

Deze wordt ook tot in de onderdelen door Vitruvius beschreven, die schreef rond 25 v.Chr. dat de gewone standaardmaat 27 kilo bedroeg. In vergelijking met vroegere machineszijn de veren hier wat verder naar voren in het frame geplaatst, zodat ze een zwakkeV-vorm vertonen. Dit had het voordeel, dat de winhoek (voor het opdraaien) van de spanarmwerd vergroot. Dit vroeg wel een ingewikkelder structuur van het frame, die men niet demoeite waard vond voor de gewone pijltoestellen. Een andere belangrijke verbetering was detoepassing van ovale in plaats van ronde gaten en spandoppen, waardoor men meer touw kontoevoegen zonder het toestel als geheel te vergroten. Voor het laden schoof men de sledevooruit tot de trekker de pees pakte, waarop deze naar achteren werd gespannen met behulpvan de lichters. De borg voorkwam dat de pees losschoot tot het juiste moment van hetafvuren was gekomen.

4.3. De Romeinse tactiek

Eens ze begonnen was, leek het einde van een Romeinse belegering reeds in zicht. DeRomeinen waren heel methodisch en ze hielden van organiseren. Eerst omsingelden delegioenen de stad en sneden ze af van de buitenwereld. Dan vochten ze op eengeorganiseerde wijze onder bescherming van langwerpige schilden gemaakt wan hout, hennepen leer, in het midden van een scherpe pin voorzien en met ijzeren randen, gingen ze ingesloten gelederen op de vijand af, wachtend op het moment dat ze hun speren kondenwerpen. Die speren waren meer dan 1 meter 80 lang en elke soldaat droeg er twee. Wanneerdeze speren hun werk hadden gedaan en de vijand in verwarring hadden gebracht, gingen deRomeinen met hun korte zwaarden in de aanval. Soms kwamen de Romeinen wel eens in het nauwte zitten, maar daar hadden ze hun speciale tactische zetten voor. Eťn daarvan was de tesudo.De Romeinen vormden met hun overlappende schilden een gepantserde colonne en aldusbeveiligd sloegen ze op de vijand los en beklommen uiteindelijk belegeringstorens om zo inde brandende stad te kunnen springen.

4.4. Lans tegen werpspies

Deze situatie wordt in beeld gebracht op pagina 28 onderaan.

1 De falanx rukt 16 diep op met gestrekte lans en in gesloten gelederen. In opengelederen konden de Romeinse manipels 12 diep zijn of meer (dit hing in hoge mate af vande tegenstander). Op een afstand van ongeveer 32 meter werd een salvo van lichte pila afgegeven.Deze konden lichaamsbepantsering doorboren of door hun gewicht een schild omlaagtrekken,als de hals van de pilum naar de kracht van de inslag werd verbogen.

2 Als de slaglinies elkaar verder naderden, werden ook de zware pila geworpen, waarnade hastati hun zwaarden trokken en zich aaneensloten. De pila zullen hun tol hebbengeŽist, zodat de vijandige falanx bij het oprukken wordt gehinderd door lijken en doorschilden, die door de pila naar beneden zijn gedrukt.

3 Bij het verder oprukken van de falanx stootten de twee partijen op elkaar en delegioensoldaten vangen de vijandelijke speerstoten op met hun scuta. Hierna begint eensoort duwwedstrijd, die gewoonlijk in het voordeel uitvalt van de diepere formatie. Maareen gesneuvelde vijand of een natuurlijk obstakel kan een leemte veroorzaken in de linievan de falanx en daarvan maakten de Romeinen ogenblikkelijk gebruik van om eenman-tot-mangevecht aan te gaan. Een andere tactiek is dan de logge falanx buitenom in deflank aan te vallen.

In beide gevallen hield de geoefende Romeinse zwaardvechter – eenmaal in directcontact met de falangist – gewoonlijk de overhand, omdat de falangist geen geoefendzwaardvechter was en een kleiner schild droeg dan zijn Romeinse tegenstander.

5. Het leger op mars en in slagorde

5.1. Het leger op mars

De Romeinse legioensoldaat moest, afgezien van de zware bewapening, de korenvoorraadvoor vijftien tot twintig dagen, verder een zaag, een mand, een spa, een bijl, een kookpoten twee of drie schanspalen met zich meedragen - dus niet alleen een ransel zoals deinfanterist van de negentiende en de twintigste eeuw.

C. Marius probeerde voor de soldaat de mars minder zwaar te maken, door demarsbepakking aan een paal te binden, die de soldaat op de rechterschouder kon leggen,terwijl hij in de linkerhand werpspiesen vasthield. Van de infanteristen van de republiek,die met 30 kg bepakking beladen waren, eiste men slechts een dagelijkse marstijd van 4 tot5 uur, waarin gemiddeld 12 tot 15 km moest afgelegd worden (in de tijd van Caesar was dit20 tot 25 km). De legioenen en de tros marcheerden gewoonlijk, als men zich niet in denabijheid van de vijand bevond, in het midden van de colonne. Aan het hoofd en aan heteind trokken de eskadrons ruiters en de lichtbewapende bondgenoten.

Al naar gelang de veldheer het verloop (althans van de eerste fasen) van de strijdschatte, marcheerde het legioen in ťťn van de drie volgende formaties: in een eenvoudigecolonne (agmen pilatum), in slagorde (acie instructa) of in een geslotenvierhoek (agmen quadratum). In het eerste geval marcheerden de cohorten volgens hunnummering de ťťn na de ander. In de tweede marcheerden men in zoveel colonnes, als ergevechtslinies waren (per lineas, in de regel van drie), of naar vleugels geordend,d.w.z. in drie colonnes, waarvan de eerste door de drie cohorten van de rechtervleugel, detweede door de cohorten van het midden eb de derde door de drie cohorten van delinkervleugel gevormd werden. In het derde geval werd de schare geopend door eentroepenafdeling die marcheerde naar vleugels geordend. Daarop volgde de tros en ten slotteals achterhoede nog een troepenafdeling, de cohorten naar secties ingedeeld, die tros detros naar beide kanten dekte.

De cohorte kon als zelfstandige gevechtseenheid marcheren, ingedeeld naar secties ofnaar centuriae. Van de marsorde naar secties ging men tot de slagorde over, doordat men desectie naar links of rechts front liet maken. Zo kwamen ze naast elkaar te staan. Een heelandere zwenking was nodig om van de marsorde naar centuriae tot de slagorde te kunnenovergaan.

5.2. Het leger in de slag

De Romeinse slagorde berustte van de tijd van Marius tot die van Caesar op de cohorteals tactische eenheid. De cohorte stelde zich met vijftig man in de breedte en acht man inde diepte. De effectieve strekte van het legioen lag altijd dichter bij vierduizend mandan bij het vereiste aantal van zesduizend. De afstand tussen de afzonderlijke gelederenbedroeg 1 m 20, die van man tot man binnen elk gelid ongeveer 90 cm. Deze afstanden warenzo groot, dat de soldaten zonder elkaar te hinderen, konden marcheren en hun werpspiesengebruiken. Voor de strijd met het zwaard was deze plaats echter niet voldoende. Wanneer decohorte van het offensief (de gesloten orde) in het defensief (de open orde) moestovergaan, was het van nut, dat ze zich tot een bijna dubbel front verlengde, zodat iederelegioensoldaat over een ruimte van 1m 80 kon beschikken.

Het legioen stelde zich op in twee verschillende gevechtsposities al naar gelang menwilde aanvallen of de aanval van de tegenstander wilde afwachten. Bij de opstelling vooreen offensief vormde het legioen of twee gevechtslinies met elk vijf cohorten of driegevechtslinies met vier cohorten in de eerste linie en elk drie in de beide andere. Deafstand tussen de aparte gevechtslinies hing natuurlijk af van de tactische eisen en degesteldheid van het terrein, maar gewoonlijk bedroeg die 25 tot 35 meter. Voor hetdefensief kon het legioen zich in ťťn enkele linie of in een kring (orbis)opstellen. De eerste twee gelederen stonden boven op de wal, de ander onder aan de wal alsreserve. De opstelling in een kring (in werkelijkheid was het vaker eerder een kwadraat)werd gewoonlijk op het vrije veld bevolen, om het leger bij de terugtocht tegen deaanvallen van de vijand aan alle kanten te beschermen. De cohorten stelde men zo op, datmen in het midden over een vrije, beschermde ruimte van ongeveer 100 tot 120 m doorsneekon beschikken, groot genoeg om ongeveer duizend lastdieren met de bijhorende bagage op tenemen. Gewoonlijk echter gaven de Romeinse veldheren, althans de bekwamen, de voorkeur aanhet offensief, omdat men zo plaats en tijd van de slag zelf kon bepalen. Voor de aanvalstelde men de legioenen naast elkaar en elk van hen in drie gevechtslinies op, die naelkaar ingezet werden, zodat de uitgeputte cohorten van het eerste gevecht zich kondenterugtrekken achter de cohorten van het tweede, die dan tot de aanval overgingen.

De gevechtseenheden van de ruiterij, de alae (elk tellende twaalf eskadrons, turmae,van ieder tweeŽndertig ruiters), stelden zich in de slag aan de beide vleugels van hetleger op. Zij hadden tot taak, het leger tegen een flankaanval van de tegenstander tebeschermen en van hun kant dezen in de flank aan te vallen, de vijandelijke ruiterij terugte drijven en de vluchtende vijand te vervolgen, omdat voor de zwaargewapendelegioensoldaat de achtervolging niet mogelijk was.

De lichtgewapende soldaten vochten vaak in nauw contact met de ruiterij. De hulptroepenwaren door hun speciale bewapening aan een bepaalde wijze van strijden gebonden. Deboogschutters (sagittarii) en de slingeraars (funditores) begonnen intirailleurlinie de strijd.

De opperbevelhebber inspecteerde apart de verschillende legioenen, vuurde hen aan totde strijd en begaf zich dan, steeds vergezeld door de cohors praetoria naar zijnplaats, meestal de rechtervleugel. Op zijn bevel gaf de trompetter, die hem vergezelde,het signaal tot de aanval dat de trompetters van de verschillende legioenen overnamen. Metde klank van de trompetten vermengde zich het krijgsgeschreeuw van het hele leger.

5.3. De Romeinse strijdformatie

De schema’s op pagina 28 bovenaan zouden een duidelijker beeld moeten geven van dehier beschreven formatie.

  1. Het legioen stelt zich in slagorde op, de hastati en de principes in open gelederen, de triarii in gesloten gelederen. De tussenruimte tussen de linies kon dan variŽren van 0 tot 75 m. De velites zwermen af en aan om de vijand af te leiden. Als dit genoegzaam is geschied worden de velites teruggeroepen.
  2. De voorste (prior) centuries van de hastati wijken uit naar rechts en de achterste (posterior) centuries dringen op om een gesloten slaglinie te vormen. Op ongeveer 137 meter wordt de charge van beide zijden ingezet. De voorste rangen van de hastati werpen hun lichte pila af op ongeveer 32 meter van de vijand en laten deze spoedig volgen door hun zware pila. Zij trekken hun zwaard en sluiten zich in snelle opmars aaneen om met zoveel mogelijk kracht op de vijand in te beuken. De achterste rijen werpen hun pila over de voorsten heen. De slag bestaat uit een opeenvolging van woedende gevechten, waarbij beide zijden zich dan enigszins terugtrekken om hun formatie te herstellen. Een dergelijk gevecht kon verscheidene uren in beslag nemen.
  3. Gedurende een van de genoemde gevechtspauzes kon de hastati bevolen worden zich te hergroeperen. De achterste centuries wijken dan terug. De voorsten doen een pas terzijde. Vervolgens trekken de manipels der hastati zich in gesloten gelederen terug, om zich achter de rangen van de triarii opnieuw in goede orde op te stellen. Intussen rukken de principes op in open gelederen, waarbij ze door de rangen der hastatii passeren. De vijand is hierbij niet in staat om voordeel te trekken uit deze situatie, omdat hij voortdurend een gesloten front tegenover zich vindt.
  4. De achterste centuries wijken uit naar de linkerzijde van hun eigen voor-centuries, de principes rukken dan op tot chargeafstand, zodat de reeds vermoeide vijand wordt geconfronteerd met een verse tegenstander en een volgende zware aanval.
  5. Als de principes eveneens uitgeput raken voordat de vijand is gebroken, wordt hun plaats ingenomen door een drie diepe, dunne slaglinie piekeniers uit de rangen van de triarii.
  6. Het leger staat nu voor de keus zich terug te trekken of geheel opnieuw te beginnen. Inde rem ad triaros redisse ("de zaak aan de triarii overlaten"). Het oude Romeinse spreekwoord kwam zelfs in de gewone spreektaal terecht om aan te duiden dat dit de laatste hoop was. Niet alle veldslagen verliepen uiteraard ‘volgens het boekje’ en variaties hierop tredden we dan ook b.v. aan bij de veldslagen van Zama en Kynosfalai.

Tegen een speerfalanx werden de tweede en de derde linies ook wel ingezet om extra drukte verlenen aan de eerste linie en een poging om de tegendruk van b.v. een 16 diepe falanxte weerstaan.

6. Het Romeinse kamp

6.1. Beschrijving van het kamp

De Romeinen hechtten steeds buitengewone waarde aan een versterkt kamp en sloegen ditmet de grootste zorg op, zelfs dan, als het leger onafgebroken op mars was en men deuitgeputte soldaten elke avond dit moeizame schanswerk moest laten doen. Men zocht in deeerste plaats een geschikt terrein voor het kamp, zoals aan de helling van een zachtglooiende heuvel. Men zorgde ervoor dat de voorkant van het kamp aan de voet van de heuvelkwam te liggen. Nog gunstiger was deze ligging, als zich aan de voet van de heuvel ofalthans voor het front van het kamp een natuurlijke hindernis, b.v. een breed dal of eenmoeras bevond. Dit bemoeilijkte de aanval bij verrassing. De vorm van het kamp was eenvierkant. Ter versterking groef men rondom het kamp een greppel. Met de uitgegraven aardewerd een wal (agger, vallum) opgeworpen, die bovenaan breed genoeg was alsplaats voor de verdedigers. Bij het meten en de verdeling van het kampterrein ging men vanbinnen naar buiten. De tribuun, die het opzicht had over het opslaan van het kamp,bepaalde om te beginnen de 120m lange en 60m brede plaats voor de tent van de veldheer (praetorium),waarvan de porta praetoria, die zich in het midden van de voorkant van het kampbevond , 200m of meer verwijderd was. De via praetoria verbond deze poort met de tent vande veldheer. Aan beide zijden van deze kampstraat tot aan de wal bevonden zich de tentender officieren en der onderofficieren van de tribunen en legaten en de stallingen voor depaarden. Voor het praetorium stond het offeraltaar; hierlangs liep de via principelis, diede via praetoria loodrecht kruiste en bij de wal uitkwam op de porta principelis extraof de porta principalis sinistra. Aan de zijden van de tent van de veldheer stondende onderkomens van de Romeinse legioensoldaten, de ruiters en de hulptroepen. Natuurlijkwaren de afmetingen van een kamp verschillend, al naar gelang er twee, vier of zelfs achten tien legioenen moesten plaatsvinden. Zo bedekte b.v. een kamp van Caesar, waarinongeveer tien legioen verblijf hielden, in GalliŽ aan de Axona (Aisne) een oppervlaktevan 41 ha. Men moet ook bedenken dat rondom het kamp tussen de aarden wal en de tenten eenbrede weg liep, die aan de ene kant aan de troepen de vereiste bewegingsvrijheid gaf enaan de andere kant het eigenlijke kamp onttrok aan de draagwijdte der vijandelijke pijlen.Achter in het kamp, voor de porta decumana, bevond zich het onderkomen van de quaestor ,die de krijgskas beheerde. Daar waren de legertrein (de tros, de grote bagage) enwaarschijnlijk ook de oorlogmachines ondergebracht. Als de vijand zich in de nabijheidbevond, was grote voorzichtigheid geboden en wel niet alleen bij het opslaan van het kampmaar gedurende heel de tijd, dat men zich in vijandig gebied ophield. Sterkeruitereskadrons patrouilleerden in de omgeving van het kamp naar alle richtingen, terwijlde soldaten, naar de cohorten geordend, bezig waren met het opwerpen van de wal. In ditgeval werd deze direct om een plein aangelegd, dat naar de ruwe schatting de voor het kampvereiste afmetingen had. Na het eindigen van het schanswerk reed het grootste gedeelte vande ruiterij het kamp in ;slechts weinige eskadrons wisselden buiten de verschansing elkaaraf, om gedurende de nacht de streek om het kamp te beveiligen, terwijl een cohorte van elklegioen aan de ingangspoorten, voor het praetorium en het quaestorium afwisselend de wachtmoest betrekken. Bovendien stonden er nog wachtposten op de wal. De nacht, dat wil zeggende tijd van 6 uur ‘s avonds tot 6 uur ‘s morgens, was in vier delen van drie uurverdeeld (vigiliae). De aflossing van de wacht werd iedere keer door eentrompetsignaal aangegeven. De zeer strenge controle van de schildwachten werd gewoonlijkdoor de centurio’s uitgevoerd, niet zelden echter door de tribunen, de legaten ofopperbevelhebber zelf.

6.2. Rondom het kamp

Een bonte mensenmenigte, waarvan het uiterlijk en de kleding weinig op die van desoldaten leken, was, soms zelfs in tenten, rondom de wal gelegerd: de marktenten. Zijhadden een heleboel kleinere dingen bij zich, die de soldaten altijd konden gebruiken enbereidwillig van hen kochten, ook voor een hoge prijs: kleren om te verwisselen,poetsmiddelen voor de wapens, meer of minder doeltreffende kruiden, om kleine wonden enziekten te genezen, lekkere hapjes, om een beetje afwisseling in de wel overvloedige, maarniet al te smakelijke voeding te brengen. Er waren ook marktkraampjes, die aan iedereenamusement van allerlei soort beloofden. Verder waren er handelaars, die van soldaten hunaandeel in de oorlogsbuit, kunstvoorwerpen en ook slaven wilden kopen.

7. De Romeinse legionair

7.1. Discipline in het legioen

De discipline in een legioen hing meestal af van de commandant. De relatie tussen desoldaten en de leiding is zeer belangrijk. De moreel moet hoog gehouden worden. Toch mogende soldaten zich niet verlagen tot wangedrag. Dat was echter soms zeer moeilijk. Zoverbleef eens een Romeins garnizoen in een Spaanse stad "waar de soldaten in weeldebaadden, alle discipline vaarwel zeiden en meestal dronken waren". De wet schreef hetvolgende voor inzake de verantwoordelijkheden van een legercommandant.

De tribunen of andere legeraanvoerders hebben tot taak: de soldaten in het legerkamp tehouden en ze aan de oefeningen mee te laten doen, (…) bij de maaltijden van desoldaten aanwezig te zijn, (…) te straffen waar nodig, (…) klachten van soldatenaan te horen en te letten op de zieken.

Tacitus beschrijft een muiterij van soldaten tegenover hun centurio. We latendaarom de geschiedschrijver zelf aan het woord.

Waarom gehoorzamen jullie eigenlijk als slaven die paar centuriones en nog mindertribunen? De dienst is zwaar en levert niets op: jullie leveren jezelf met huid en haaruit voor een soldij van 10 assen per dag en daarvan moeten jullie ook nog je kleren, jewapens en tenten betalen en de razernij van de centuriones afkopen en vrijstelling van decorvees.

7.2. Straf en beloning

Zoals in het vorige punt beschreven was de centurio verantwoordelijk voor dediscipline. Hij liep dan ook steeds rond met een stok gemaakt uit het harde hout waardruiven aan groeien. Daarmee sloeg hij soms zijn soldaten. Ook Tacitus spreekt hierover:

Ook werd de centurio Lucilius gedood, die de soldaten bij wijze van geestigheid debijnaam ‘een nieuwe’ gegeven hadden omdat hij steeds weer om een nieuwe stokvroeg als hij er een op de rug van een soldaat kapotgeslagen had.

In oorlogstijd wordt een soldaat die zijn plicht niet deed, vaak gewoonweg ter doodveroordeeld. In vredestijd waren de straffen minder zwaar. Een soldaat die bijvoorbeeld telaat op zijn werk kwam, moest de hele dag op wacht staan zonder wapens. Wie tijdens dewacht lag te slapen, kon op een reeks zweepslagen rekenen.

Keizer Domitianus stelt de soldij van de soldaten vast op 300 denarii. Dat wasniet erg veel, maar toch konden een aantal soldaten hiermee sparen.

7.3. Opleiding, diensttijd enpensionering

Om toegelaten te worden in het leger moesten de rekruten een bepaalde lengte hebben(tussen de 1 m 72 en de 1 m 77), hoewel daar in tijden van nood wordt van afgeweken. Na dekeuring kan de eigenlijk opleiding beginnen. Ook nu laten we een kenner op het vlak aanhet woord, namelijk Vegetius.

Vroeger, zo staat het in de boeken, werden rekruten als volgt getraind: ze kregeneen houten schild dat twee keer zo zwaar was als het gewone, en ook gaf men de rekruteneen houten zwaard dat het dubbele van hun echte wapen woog. Daarmee oefenden ze ‘smorgens vroeg en ook in de middaghitte tegen de zogenaamde palen. Elke rekruut zette voorzichzelf een dergelijke paal zo diep in de grond dat deze niet kon bewegen en zes voet (1m 77) hoog was. Met zijn houten schild en zwaard vocht de rekruut tegen de paal als tegeneen echte vijand. Hij richtte op zijn gezicht, op zijn flanken en bovenbenen, week terugen sprong naar voren alsof hij met een echte vijand vocht.

Het eerste wat rekruten moeten leren, is marcheren. Want zowel onderweg als in deslaglinie is het van het grootste belang dat de soldaten ordelijk optrekken. Snel engelijk marcheren is alleen mogelijk als er dagelijks geoefend wordt. Marcherend moet in dezomer twintig mijl (30 km) worden afgelegd en bij een geforceerde mars zelfsdrieŽntwintig (34,5 km).
Jonge soldaten moeten ook met grote regelmaat gedwongen worden te marcheren en een gewichtvan 60 pong (18 kg) te dragen omdat ze ook in staat moeten zijn hun wapens, persoonlijkebagage en voorraden mee te dragen.

Na de opleiding volgt dan de diensttijd. Deze duur zo’n 20 ŗ 25 jaar. Soms echterworden soldaten gedwongen langer te blijven. Sommige soldaten vinden dit helemaal nieterg. Oudgedienden beslissen soms om gewoon terug in dienst te gaan. Alspensioneringgesschenk krijgen de soldaten een som geld (3000 denarii) en soms een stukland.

8. De Romeinse vloot

8.1. Geschiedenis

Rome heeft in haar beginperiode geen nood aan een goed uitgebouwde vloot. Deveroveringen gebeuren in die periode immers vooral over land. Pas in de 2deSamnitische Oorlog (326-304) wordt een vloot van 20 triŽren ingezet. Wanneer degrote zeemacht Carthago in conflict komt met Rome, beginnen de Romeinen een bijnaevenwaardige zeevloot uit te bouwen. Ze slagen in hun opzet en kunnen de Carthaagseeskaders vernietigen. Denken we maar aan de overwinning van Consul Druifluis bijMylai. Deze triomfen zorgen ervoor dat de Romeinen het westelijke deel van hetMiddellandse Zeegebied beheersen.

Carthago is verslagen, dus Rome heeft geen vijand meer. Dit leidt tot het verval van deRomeinse vloot. In de 2de eeuw v. Chr. gaan de piraten op kaapvaart in deMiddellandse Zee. In 67 v. Chr. besluit reinigde een vloot van 500 Romeinse schepen onderhet commando van Pompejus de zeeŽn van zeerovers. Ook tijdens de burgeroorlogenspeelt de vloot een belangrijke rol. In de slag bij Actium behaalt Octavianus deoverwinning op Cleopatra en Antonius.

Vanaf dan wordt er uitgekeken naar een permanente vloot. Er worden havens gebouwd teMisenum en Ravenna. De vloot van Augustus bestaat uit zo’n 700 schepen. Kleinerevloten hebben vooral een politiefunctie. Ook op de grote rivieren lagen vloten. Zobijvoorbeeld in Vindobona (Wenen), waar er toezicht wordt gehouden op de Donau.

8.2. Scheepstypen

In de Keizertijd beschikte de Romeinse vloot over verschillende scheepstypen. De naamduidt aan hoeveel rijen roeiers er aanwezig zijn: moneris (= van 1 riem voorzien)of navis actuaria (snelzeiler), biremis (tweedekker), triremis of remiges,quadriremis en de quinquieris.

De triŽre of trireem vindt zijn oorsprong bij de Grieken. Daar zocht mennaar een lichter, sneller en sierlijker schip dan de oude pentekeros, die veellogger waren. De triŽre heeft aan stuur- en bakboord drie rijen roeiers, schuin achterelkaar. 170 roeiers bewegen het 35 meter lange en 6 meter brede schip vooruit.

De Romeinen kijken echter uit naar een nog stabieler en tegelijkertijd beweeglijkerscheepsmodel. De quinquereme, 40 meter lang en 7 meter breed, heeft een bezettingvan 300 matrozen en roeiers en zo’n 120 soldaten met 20 officieren. Zoals de naam alaanduidt heeft de quinquereme (bij de Grieken penteres) 5 rijen roeiers. Inoorlogstijd worden de grote schepen meestal vergezeld door kleinere schepen met twee rijenroeiers. Daarvoor worden de myoparones of catascopi gebruikt.

Naast de triŽres zijn ook het Liburnische oorlogsschip, de liburnica, ingebruik. Deze lichtere en dus snellere schepen werden ontworpen door Illyrische zeerovers.De totale bemanning bedraagt zo’n 200 mensen. Het schip meet 33 op 4 meter. Ze speleneen prominente rol in onder meer de slag bij Actium.

8.3. Constructie en onderdelen

De romp is meestal gemaakt uit het hout van de grove den, zilverspar, cipres of ceder.De boorden worden vervaardigd uit massief eik. De Romeinen gebruiken dezelfdeconstructiemethode als de Grieken. Ze beginnen namelijk met de romp. Daarna wordt aan debinnenkant de boot verstevigd door het geraamte te bouwen. Later zullen de Romeinenafstappen van deze methode en zullen ze met het geraamte beginnen. Deze evolutie zou temaken hebben met de vermindering van de slavernij.

Op het achtersteven staat het beeld van de beschermgod (tutela) en het blazoenvan de vlootvoogd (arma). Aan de voorkant heeft men een in drie punten uitlopendescheepssnavel (rostrum), die gebruikt wordt om de schepen van de vijand mee terammen. Het rostrum wordt meestal uit brons gemaakt en is zo’n 77 kg zwaar. Bij eenoverwinning worden de snebben (rostra) van het overwonnen schepen meegenomen naarhet forum, waar ze een speciale plaats krijgen. Op die plaats worden ook redevoeringengehouden. Vandaar het Latijnse woord voor ‘spreekgestoelte’: rostra.

In de beginperiode wordt een reusachtige loopplank gebruikt om het vijandige schip teenteren. Men kan de loopplank of corvus doen neerploffen op het andere schip en desoldaten toelaten oversteken, twee aan twee. Er wordt afgestapt van dit systeem en de harpagowordt toegevoegd. Dit is een harpoenachtige enterhaak die met een katapult wordt afgevuurdom het vijandelijke schip naderbij te slepen.

8.4. Zeeslagen

Het doel van een zeeslag is om zo veel mogelijk vijandige schepen te doen zinken ofovermeesteren. Dit wordt meestal bereikt door eerst het schip te rammen en dan te enteren.Een schip rammen is niet zo eenvoudig en een zeer precieze operatie. Er bestaan tweebelangrijke tactieken. Steeds staan twee rijen schepen tegenover elkaar. Bij de eerstetactiek, de diecplus, gaat ťťn linie recht vooruit zodat de schepen als het warein de andere linie snijdt. Daarna keren de schepen om en vallen ze aan van de achterkant.Deze tactiek is zeer efficiŽnt, maar vereist zeer sterke roeiersploegen. De tweedetactiek, de periplus, houdt in dat een rij schepen de vijand in de flanken aanvaltom zo de schepen langs achter te kunnen aanvallen. Vaak is er ook een gevechtstoren (navisturrita) aanwezig die de bemanning toelaat projectielen te schieten naar de vijand.

8.5. Bemanning en officieren

In de keizertijd, wanneer er een permanente vloot bestaat, is de keizer in principebevelhebber van de Romeinse vloot. Er wordt een praefectus classis of stolarchusper vloot aangesteld. Die wordt bijgestaan door een subpraefectus. Ieder schipstaat dan weer onder het bevel van een kapitein of triŽrarcha. De bemanning,namelijk de roeiers (remiges), meestal slaven, de matrozen (nautae), desoldaten (classiarii), gewoonlijk peregrini, en de loods (gubernator)vormden samen een centurie onder bevel van een centurio classicus.

Bronnen

BLOIS, de, L. Prof. dr.
De Romeinse Wereld – Leven en werken in het Romeinse Rijk in het begin van onzejaartelling Stichting Teleac (Utrecht), 1986

CICERI Gianni
Algeme ontwikkeling – kennis voor moderne jonge mensen
Lekturama (Amsterdam), 1978

CUNLIFFE Barry
Rome en haar rijk
Uitgeverij Kosmos, 1979

DESSAIN H.
Caesar – Veldtocht in GalliŽ
Geerebaert Klassieken, 1986

DRINKWATER J.F., dr. & DRUMMOND Andrew, dr.
De wereld der Romeinen
Zuid-boek producties (Lisse), 1996

Grote Nederlandse Larousse Encyclopedie
Heideland-Orbis (Hasselt), 1978

HEYDEN, Van der, A.A.M., dr.
De wereld van Grieken en Romeinen
Elsevier (Amsterdam/Brussel), 1968

JAMES Simon
Rome (reeks Ooggetuigen)
Standaard Uitgeverij (Antwerpen), 1991

KATWIJK-KNAPP, van, F.H.
De Gallische oorlogen
De Nederlandse boekhandel (Antwerpen), 1982

LEWIS Brenda
Het Oude Rome (Het hoe en waarom boek van)
Zuid-Nederlandse Uitgeverij (Antwerpen), Centrale Uitgeverij (Haarderwijk), 1975

MICROSOFTģ
Ancient Lands (CD-ROM)
Microsoft Corporation (Redmond, USA), 1994

MICROSOFTģ
Encarta 97 (CD-ROM)
Microsoft Corporation (Redmond, USA), 1997

PAPEIANS Christian
Kunst en beschaving: Rome
Artis-Historia Uitgaven (Brussel), 1989

VAN ROYEN Renť & VAN DER VEGT Sunnyva
Asterix en de waarheid
Uitgeverij Bert Bakker (Amsterdam), 1997

VISSER A.J.M.
Romeins Soldaat (reekst Informatie)
De Ruiter b.v. (Gorinchem), 1982

WALLACE Lew
Ben-Hur
Standaard Uitgeverij (Antwerpen/Amsterdam), 1972

WARRY John
Oorlogvoering in de klassieke wereld
Uitgeverij Helmond (Helmond)

Met dank aan de heer Chris van de Weerd voor een deel van bovenstaande tekst! Kijk ook eens op zijn website, Magistro Ivvante Vinces
 

top


Carpe translationem

Ara Pacis ] Cursus Honorum ] Datering ] Forum Romanum ] Griezelen ] Huwelijk ] [ Het Romeinse leger ] Het Griekse leger ] Leiders van Rome ] Naamgeving ] Politieke organisatie ] Spreekwoorden ] Thermen ] Tijd ] Tijdlijn ] Toneel in Rome ] Triomfbogen ]

© 2005, 2006 www.klassiekevertalingen.nl

Plýk een vertaling