Carmina Burana

Fortuna beheerst de wereld

1. O Fortuna

0 ellendig onbestendig zijt, Fortuna, ge als de maan, nu eens blinkt ge, dan weer slinkt ge, jammerlijk is ons bestaan; het verrukt ons of bedrukt ons alles wat het speelsgewijs toebedeelde armoe, weelde smelt weer heen als sneeuw en ijs.

Lot, gij boze, zinneloze, Godheid, Rad dat draaien blijft hene spoedde al het goede, en het kwade slechts beklijft. zonder luister zijt ge en duister zend een lichtstraal in mijn leed, want ge maakte tot een naakte door het spel mij slecht en wreed.

't Lot, zo veler wonden heler, heeft zich tegen mij gekant, Ik Ben verloren, want in toorn blijft het steeds op mij gebrand. Valt het luitspel zonder uitstel allen me in deze ure bij; door Is Lots werk is ook wie sterk is neergeveld, dus klaagt met mij.

2. Fortunae Plango Vulnera

In tranen klaag ik om de wond van de Fortuin bekomen, want al het goede dat zij zond heeft ze mij kwaad ontnomen. Waar is wat men indertijd toen men jong was leerde, maar komt de gelegenheid doet men het verkeerde.

 

Hoogverheven op de troon van Fortuna zat ik, voorspoeds bonte bloemenkroon op mijn lokken had ik; koesterde mij in de glans van geluk en glorie, diep gevallen ben ik thans, weg is de victorie.

't Wentelrad van de Fortuin doet mij nederdalen om een ander op zijn kruin trots omhoog te halen. Zelfs de koning bovenin moet zijn val eens vrezen Want omhoog staat Koningin Hecuba te lezen.

LENTELIEDEREN

3. Veris Laeta Facies

Vrolijk lachend is de mei weer in 't land verschenen, Is winters gure jaargetij vlucht verslagen henen. Flora leidt de dansersrei bont gekleed in bloemen, Hoor hoe in het woud haar blij alle vogels roemen.

Flora uit haar schoot bestrooit Phoebus en hij lacht weer, 't dek dat bont de wereld tooit schenkt hem nieuwe kracht weer. Nectargeur, die Zephyr blaast, prikkelt ons de zinnen, dus om strijd ons thans gehaast Amors prijs te winnen.

Filomeel de nachtegaal kweelt haar zoete zangen en de weiden altemaal bont van bloemen prangen; vogels vliegen in het woud op van open plekken, schone maagden duizendvoud vreugden ons verstrekken.

4. Omnia Sol Temperat

Zacht en zuiver zonnelicht schijnt op alle dingen.'t Leven met april in zicht gaat opnieuw ontspringen; fluks roept Amor tot hun plicht alle jongelingen, op bevel van 't godenwicht schertsen zij en zingen.

Al het nieuwe in de natuur op dit jaarlijks Meifeest zet ons jonge hart in vuur, noopt ons tot een blij feest. Blijf op 't goede pad, ge zijt in uw lente-jaren; Zorg uw trouw en zuiverheid immer te bewaren.

Zie, ik ben u trouw geweest, wil ook mij trouw minnen ! Want ik ben met heel mijn geest, gans van harte en zinnen Altijd bij u, voert mij pad mij ver ook van de mijnen. Ieder die zo mint, op 't Rad wentelt hij in pijnen.

5. Ecce Gratum

Zie de blijde langverbeide lente brengt weer vreugd in't lan Rode klavers en papavers sieren 't weiland te allen kant. Alle droefheid is voorbij, zomer daagt weer en verjaagt weer winters strenge heerschappij.

Reeds verdwijnen en verkwijnen storm en hagel, sneeuw en vorst, nevels vluchten uit de luchten, lente zuigt aan zomers borst. Miserabel is van geest die niet leven en zich geven wil aan 't dartel voorjaarsfeest.

Juicht verheugd nu en vol vreugd nu om dit zoete paradijs, laat ons zingen, vrolijk dingen naar Cupido's ereprijs. Laat ons op dit meifestijn vele keren Venus eren Laat ons allen Paris zijn.

TE LANDE

6. Tanz
7. Floret Silva Nobilis

In het oud en edel bos springen blad en bloemen los. Waar of ik vinde die mij vroeger minde ? Hene reed hij, Ach, wie houdt van mij?

Bos en dreven bloeien weer, 't hart doet mlom m'n liefste zeer weder bloemen bos en dreven. Waar is m'n lief zo lang gebleven? Hene reed hij, Ach, wie houdt van mij?

8. Chramer, Gib Die Varwe Mir

Kramer, geef me 't kleurke rood, dat mijn wang doet blozen, en het jonge mansvolk noodt om met mij te kozen.

Jonge man, kijk mij aan, of ik je bevallen kan.

Kies toch, kerels uit één stuk, lieve, knappe vrouwen, want de liefde brengt geluk, eer en zelfvertrouwen.

Jonge man, kijk mij aan, of ik je bevallen kan.

Wereld, hoor mijn lofzang aan rijk aan vreugden zijt ge, graag ben ik uw onderdaan, wie u dient verblijdt ge.

9. Swaz Hie Gat Umbe

Wat hier in 't rond loopt, dat zijn meisjes allemaal, die kijken geen man heel de zomer door meer aan.

Liefste, kom, o kom toch gauw, Ik wacht al lang met smart op jou Ik wacht al lang met smart op jou liefste, kom, o kom toch gauw.

Zoete rozerode mond, Kom en maak mij weer gezond, Kom en maak mij weer gezond, zoete rozerode mond.

Wat hier in 't rond loopt, dat zijn meisjes allemaal, die kijken geen man heel de zomer lang meer aan.

10. Were Diu Werlt Alle Min

Ware heel de wereld mijn tot de monding van de Rijn, alles wilde ik missen, kon ik Engelands koningin in mijn armen kussen.

DRINKLIEDEREN

11. Aestuans Interius

Felle verontwaardiging brengt mijn bloed aan 't koken en verbitterd heb ik zo tot mijzelf gesproken : uit de lichtste stof gemaakt die er is te vinden, dool ik rond en lijk een blad dwarrelend op de winden.

Waar het een verstandig man immers zal typeren steeds zijn woning op een rots stevig te funderen, ben ik, dwaas, zoals een beek die maar door blijft stromen en die op éénzelfde plaats nooit tot rust kan komen.

Als een onbemande hulk word ik voortgedreven, als een vogel in de lucht zwerf ik door het leven, met geen sleutel houdt ge mij, houdt mij met geen banden, mijns gelijken zoek ik op, 't uitschot aller landen.

Is Levens loodzwaar plichtsbesef biedt mijn hart geen woning, zoet is mij de speelse scherts, zoeter nog dan honing; wanneer Venus me iets beveelt wijd ik mij daar graag aan, venus, nooit bewoonde zij harten die slechts traag gaan.

't Brede pad op ga ik voort als vanouds de jeugd deed, zonden zijn m'n dagelijks brood, weet ik nog wat deugd heet ? Ik Laat mijn zielsheil voor wat vreugd hier op aarde schieten, wil, gestorven naar de geest, lijfelijk genieten.

12. Cygnus Ustus Cantat

Eens dreef ik statig op het meer in al mijn schoonheid heen en weer toen ik een zwaan nog was weleer. 0, welk een smart! Thans ben ik zwart, 't vuur dat zengt me veel te hard.

De koksmaat wentelt me aan 't spit fel word ik door het vuur verhit, thans neemt de dienknecht m'in bezit 0, welk een smart! Thans ben ik zwart, 't vuur dat zengt me veel te hard. Nu lig ik voor u in de pan, een vogel die niet vliegen kan, en ieder watertandt er van. 0, welk een smart ! Thans ben ik zwart, 't vuur dat zengt me veel te hard.

13. Ego Sum Abbas

In t Koekoekskroegje fungeer ik als abt, mijn wijsheid heb ik uit het wijnvat getapt, vroom dien ik den Here, die Dobbelsteen heet, alwie mijn taveerne des morgens betreedt verlaat hem na 't Angelus naakt uitgekleed en luid weerklinkt zijn jammerkreet:

Help, help! Wat heeft het lot met mij gedaan ? Mijn levensvreugd is heengegaan en al mijn geld is naar de maan!

14. In Taberno Quando Sumus

Als we in de taverne toeven, kan de dood ons niet bedroeven, nee, het is om vreugd te scheppen, dat we ons steeds derwaarts reppen; hoe het op de kroeg gesteld is, waar de opperschenker 't geld is, dat moet nodig bestudeerd : hoort dus wat mijn lied u leert.

Die hier drinken, die daar spelen, ginder is 't een wild krakelen. Van wie aan het spel meededen zijn er die zich naakt uitkleden, zijn er die een pak aantrekken of met zak en as zich dekken. Niemand vreest hier Magere Hein, allen zweren bij de wijn.

De eerste dronk geldt wie betalen, al wie leeft ten tweede male, dan drinkt al wat tof en taai is op wie brommen in de bajes, vierdens alle christenen ter ere, vijfdens op wie sterven in de Here, zesdens op de meisjes van de straat en dronk zeven : de soldaat.

Acht op de verlopen fraters, negen bedelende paters, tien de zwervers en nachtbrakers, elf op alle ruziemakers, twaalf op wie hun zonden boeten, dertien wie de zee op moeten. En als 't Paus of Keizer geldt drinken allen ongeteld.

Aldus drinken de soldaten, drinken burgers en prelaten, drinken knechten met hun meiden, drinken man- en vrouwvolk beiden, drinkt wie trouw en wispelturig, drinkt wie sloom is en wie vurig, drinkt wie blondgelokt en grijs, drinkt wie dom is en wie wijs.

Drinkt de balling, de onbekende, de arme zieke in zijn ellende, drinkt wie jong is en wie kaal is, drinkt die klerk en principaal is, drinkt de zuster, drinkt de broeder, drinkt d' ouwe opoe en drinkt moeder, drinkers hier en drinkers daar, honderd, duizend bij elkaar.

Wel voor honderdzeven gulden, maken ze vanavond schulden, in het drinken zijn ze onmatig, van betalen hoogst nalatig; aldus gaan de mensen vitten, als we vrolijk samen zitten; wie zo oordeelt zij vervloekt en niet als gerecht geboekt.

MINNELIEDEREN

15. Amor Volat Undique

Amor vliegt naar alle kant liefde-dronken door het land; knapen, maagden, hand in hand volgen hem in bos en veld. gaat er een zonder haar held, wordt ze door verdriet gekweld, in het holste van de nacht houdt ze bij haar hart de wacht; bitter pijn doet het om alleen te zijn.

16. Dies, Nox et Omnia

Dag en nacht en alles staat mij nu tegen en ik haat zelfs de liefste meisjespraat, 't maakt dat ik ween, vaak zucht en steen, steeds meer min ik u alleen.

Makkers, speelt gerust uw spel, spaart mij echter, al te wel kent ge toch mijn droef bestel, grande est ma douleur, schaft toch raad aan uw gezel, par votre honeur.

't Lief gelaat waar ik van houd doet me wenen hondervoud, 't hart is mij als ijs zo koud, o retournez, dadelijk herleven zoult par un baiser.

17. Stetit Puella

Stond daar een meiske blij, rood was haar kledij; raakte je haar, deed je kreukelen haar kleedje. Eia !

Stond daar een meiske loos, als een rode roos; haar gezichtje gloeide, haar lief mondje bloeide. Eia

18. Circa Mea Pectora

Vele zuchten waren rond door mijn inborst te aller stond wegens uw lieftalligheid waar ik jammerlijk om lijd.

Mandaliet, mandaliet, mijn geselle komt maar niet.

Uw twee vurige ogen zijn stralend als de zonneschijn, schitterend als de bliksemschicht, die de duisternis verlicht.

Mandaliet, mandaliet, mijn geselle komt maar niet.

Moge God en goden geven de vervulling van mijn streven, om haar maagdelijk bestaan van zijn boeien eens te ontslaan.

Mandaliet, mandaliet, mijn geselle komt maar niet.

19. Si Puer Cum Puellula

Wanneer een knaap en maagdekijn tesamen in een kamerkijn het spel der minne spelen, dan neemt de liefde allengskens toe en geen van beiden worden moe van kussen, kozen, strelen, en wat er dan gebeuren gaat, is iets dat zich niet zeggen laat.

20. Veni; Veni, Venias

Komen, komen wil toch gauw, sterven zal ik zonder jou. Hyrca, Hyrca, nazaza, trillirivos.

O hoe mooi is je gezicht, o hoe scherp je blik gericht, en je lokken, o hoe dicht, schepseltje van louter licht.

Roder dan de roze gloeit, blanker dan de lelie bloeit, schoner nog dan al wat groeit, eeuwig houd je mij geboeid.

21. In Trutina

Aarzllend ben ik af aan 't wegen waar mij meer is aan gelegen, kuis te blijven, ontucht plegen.

maar ik pluk het aards geluk, buk mijn hals voor Amors juk, zalig zwicht ik voor die druk.

22. Tempus Est Iocundum

Maagdekens, 't is feest nu, 't is lentetijd.

Jonge mannen, wees nu met ons verblijd.

Ah, ah, ah, Ah, ah, ah, kom me niet te na, gans in bloei en gans in vlammen is het dat ik sta, nieuwe, nieuwe liefde waar ik aan verga.

Hoopvol maakt en krachtig wat ge belooft, weigert ge, neerslachtig buig ik het hoofd.

Ah, ah, ah, kom me niet te na, gans in bloei en gans in vlammen is het dat ik sta, nieuwe, nieuwe liefde waar ik aan verga.

't Najaar dat zich baanbreekt 't vuur in mij blust, maar als 't voorjaar aanbreekt, ontwaakt mijn lust.

Ah, ah, ah, kom me niet te na, gans in bloei en gans in vlammen is het dat ik sta, nieuwe, nieuwe liefde waar ik aan verga.

Speelse dromen tarten mijn maagdelijkheid, de eenvoud mijns harten wordt licht verleid.

Ah, ah, ah, kom me niet te na, gans in bloei en gans in vlammen is het dat ik sta, nieuwe, nieuwe liefde waar ik aan verga.

Kom, wil mij belonen, meiske ik wacht, kom, o kom, mijn schone, zie, ik versmacht.

Ah, ah, ah, kom me niet te na,

gans in bloei en gans in vlammen is het dat ik sta, nieuwe, nieuwe liefde waar ik aan verga.

23. Dulcissime

0 liefste mijn, helemaal van jou wil Ik zijn

Blancefloer en Helena

24. Ave Fomosissima

'k Groet u, allerschoonste vrouw, kostbaar kroonjuweel gij, toonbeeld aller maagden trouw, 'k groet u, o beveel mij; 's werelds lichtschijn, wees gegroet 'k groet u, 's werelds roze, Blancefloer en Helena, Venus, weergaloze!

FORTUNA BEHEERST DE WERELD

25. O Fortuna

0 ellendig onbestendig zijt, Fortuna, ge als de maan, nu eens blinkt ge, dan weer slinkt ge, jammerlijk is ons bestaan; het verrukt ons of bedrukt ons alles wat het speelsgewijs toebedeelde armoe, weelde smelt weer heen als sneeuw en ijs.

Lot, gij boze, zinneloze, Godheid, Rad dat draaien blijft hene spoedde al het goede, en het kwade slechts beklijft. Zonder luister zijt ge en duister zend een lichtstraal in mijn leed, want ge maakte tot een naakte door het spel mij slecht en wreed.

't Lot, zo veler wonden heler, heeft zich tegen mij gekant, 'k Ben verloren, want in toorn blijft het steeds op mij gebrand. Valt het luitspel zonder uitstel allen me in deze ure bij; door Is Lots werk is ook wie sterk is neergeveld, dus klaagt met mij.


Carpe translationem

© 2005, 2006 www.klassiekevertalingen.nl

Plùk een vertaling