De Bello Gallico

Boek 1 Boek 2 Boek 3 Boek 4 Boek 5 Boek 6 Boek 7

Boek 1

GalliŽ is in zijn geheel verdeeld in 3 delen, waarvan de Belgen er ťťn bewonen, eenander de AquitaniŽrs, en een derde diegenen die in hun eigen taal Kelten, maar in onzeGalliŽrs genoemd worden. Zij verschillen onderling op het gebied van taal, instellingenen wetten. De GalliŽrs worden gescheiden van de AquitaniŽrs door de Garonne, en van deBelgen door de Marne en de Seine. Van al deze volkeren zijn de Belgen de dappersten,voornamelijk omdat ze zeer ver verwijderd zijn van de cultuur en de beschaving van deProvincie, en omdat er helemaal niet vaak handelaars naar hen komen en die dingen invoerendie bijdragen tot het verwekelijken van hun geesten, en omdat ze de buren zijn van deGermanen, die over de Rijn wonen, en met wie ze voortdurend oorlog voeren. En om die redenook gaan de HelvetiŽrs alle overige Germanen in dapperheid vooraf, namelijk omdat zebijna dagelijks met de Germanen strijden, ofwel wanneer ze hun grondgebied verdedigen,ofwel om zelf op het grondgebied van de Germanen te vechten.

Boek 2

Onheilspellende berichten

 1. Toen Caesar in het winterkamp in Gallia citerior was, zoals wij hierboven hebben aangetoond, werden herhaaldelijk berichten naar hem gebracht, en d.m.v. brieven van Labienus werd hij er ook van op de hoogte gebracht, dat alle Belgen, waarvan wij hadden gezegd dat ze het derde deel van GalliŽ uitmaakten, tegen het Romeinse volk samenzwoeren en gijzelaars onder elkaar uitwisselden. Dit waren de redenen om samen te zweren: ten eerste omdat ze vreesden dat, nadat geheel GalliŽ tot vrede was gebracht, ons leger naar hen gebracht werd; vervolgens, omdat zij door verscheidene GalliŽrs opgehitst werden, deels mensen die, zoals ze het niet hadden gewild dat de Germanen nogal lang in GalliŽ zouden vertoeven, zo ook moeilijk konden verkroppen dat het leger van het Romeinse volk zou overwinteren en zich zou nestelen in GalliŽ, deels mensen die door wispelturigheid en lichtzinnigheid van geest, zich toelegden op revolutie, door verschillende ook werden opgehitst, omdat de heerschappij in GalliŽ meestal bezet werd door de machtigeren en door hen die de mogelijkheid hadden om mensen in te huren, die minder gemakkelijk deze zaak konden bereiken onder ons gezag.

 Naar de Belgen!

 2. Hevig onder de indruk door deze brieven en berichten, lichtte Caesar twee nieuwe legioenen in Gallia citerior en aan het begin van de zomer zond hij de legaat Quintus Pedius om hen naar Gallia ulterior weg te leiden. Zodra er graanvoorraad begon te zijn, komt hij naar het leger. Hij geeft de Senonen en de overige GalliŽrs, die buren waren van de Belgen, de opdracht dat ze moeten te weten komen wat er zich bij hen afspeelt en dat ze hem daarover moeten inlichten. Deze meldden allen voortdurend dat verschillende troepen werden verzameld en het leger naar ťťn plaats werd samengebracht. Toen meende hij niet te mogen twijfelen om naar hen te vertrekken. Nadat de graanvoorraad voorzien is, breekt hij het kamp op en in ongeveer vijftien dagen bereikt hij het gebied van de Belgen.

 

(...)Zij zijn de enigen die in de tijd van onze vaders, toen geheel GalliŽ werdgeteisterd, de Teutonen en de Kimbren belet hebben hun grondgebied binnen te dringen.Daardoor komt het dat ze bij de herinnering aan die gebeurtenissen van zichzelf denken datze een groot gezag en grote ervaring hebben op militair gebied.De Remi zeiden dat ze overhun aantal alles hadden onderzocht. Omdat ze met hen verbonden zijn door bloed enaanverwantschap, wisten zij hoeveel manschappen ieder stam beloofd had naar die oorlog testuren op de gemeenschappelijke vergadering van de Belgen. "De Bellovacen zijn onderhen het meest waard is moed, gezag en aantal manschappen. Zij kunnen 100.000 soldatenbijeenbrengen. Zij beloofden uit dat aantal 60.000 uitgekozen soldaten. Ze eisen hetopperbevel van de hele oorlog voor zich op. De Suessionen zijn hun buren. Zij bezitten hetuitgestrektste grondgebied en de vruchtbaarste akkers. Nog in onze tijd was Daviviacuskoning, de machtigste man van heel GalliŽ, die niet alleen gezag verworven heeft over eengroot deel van onze streken, maar ook over een groot deel van BrittanniŽ. Nu is Galbakoning. Wegens zijn gevoel voor rechtvaardigheid en zijn wijsheid werd het oppergezag vande hele oorlog aan hem doorgegeven door de wil van allen. Zij hebben 12 vestingen enbeloofden 50.000 soldaten, de NerviŽrs, die onder hen beschouwd worden als de wildsten enhet verst verwijderd zijn, evenveel, de Atrebaten er 15.000, de Ambianen 10.000, deMorinen 25.000, de MenapiŽrs 7.000, de Caleten 10.000, de Veliocassen en de Viromanduersevenveel, de Atuatuken 19.000, de Condrusen, de Eburonen, de Caeroseu en de Paemanen, diein ťťn naam Germanen worden genoemd, worden geschat op 40.000."

Het Puik Der Belgen

Aan hun grenzen woonden de NerviŽrs. Toen Caesar navraag deed over hun aard en hungebruiken, kwam hij geleidelijk tot de volgende bevindingen: dat er nog geen enkelehandelaar was die bij hen was gekomen; dat ze niet duldden dat er wijn en overige zaken,die leiden tot genotzucht, invoerde, omdat ze meenden dat deze zaken de karaktersverwekelijken en de dapperheid terug doen vallen; dat ze wilde mannen waren, heel dapperen dat ze de overige belgen die zich aan het Romeinse volk hadden overgegeven en hunvoorvaderlijke dapperheid te grabbel hadden gegooid, beschimpten en beschuldigden en zeverzekerden hem dat ze geen gezanten zouden sturen en geen enkele voorwaarde tot vredezouden aanvaarden.

In De Hinderlaag Achter DeStroom

Toen hij gedurende drie dagen over hun grondgebied had gereisd, kwam hij van degevangenen te weten dat ze bij de Sabis niet meer dan tien mijl van zijn kamp verwijderdwaren. En dat aan de overkant van die rivier alle NerviŽrs bij elkaar zaten en daar op dekomst van de Romeinen wachtten samen met de Atrebates en de Viromandui, hun buurvolkeren.Want ze hadden deze beide stammen overhaald om hun geluk te beproeven in dezelfde oorlog.Dat ze ook troepen van de Atuatuci verwachtten en die waren nog onderweg; de vrouwen enzij die omwille van hun leeftijd onnuttig schenen voor het gevecht dreven ze samen op eenplaats die omwille van de moerassen niet toegankelijk was voor een leger.

Schrander Strijdplan

Toen hij van hen deze dingen te weten was gekomen, zond hij verkenners en centurio'svoorop, om een geschikte plaats voor het kamp uit te kiezen. Omdat uit de onderworpenBelgae en de overige GalliŽrs, die Caesar volgden en samen de reis maakten enkelen vanhen, zoals men nadien te weten is gekomen, nadat ze in die dagen onze opstelling op marshadden bestudeerd, ‘s nachts aankwamen bij de NerviŽrs en hen toonden dat er tussenelk van de legioenen een groot stuk legerkolonne liep en dat het niet zo’n moeite zouzijn om wanneer het eerste legioen in het kamp zou aangekomen zijn en de andere legioeneneen heel eind verwijderd waren, zelfs nog voor ze hun persoonlijke bagage hadden kunnenafleggen; wanneer dat legioen en haar tros uiteengedreven zouden zijn, dan zouden deoverige legioenen geen weerstand meer durven bieden. Het plan van hen die de zaak verradenhadden werd gesteund door het feit dat de NerviŽrs eertijds, omdat ze met hun ruiterijniets konden - en ze legden zich er nu ook niet op toe, maar al wat ze kunnen, zijn zewaard door hun infanterie - om des te gemakkelijker de ruiterij van de buurvolkeren, alsdeze op rooftocht naar hen waren gekomen, hadden belemmerd, door jonge boompjes te toppenzodat de takken in de breedte zouden uitgroeien en door het planten van braam- endoornstruiken ertussen, hadden ze bereikt dat de hagen, gelijk muren, waar men niet enkelniet door kon gaan, maar zelfs niet door kon kijken. Omdat deze zaken de tocht van onzelegerstoet belemmerden, meenden de NerviŽrs dat ze de raad niet in de wind mochten slaan.

Als Een Wervelwind

19. Caesar stuurde de ruiterij vooruit en volgde op korte afstand met alle hulptroepen;maar de indeling en de marsorde was anders dan de Belgen aan de NerviŽrs verteld hadden.Want, omdat hij de vijand naderde, liet hij zes gevechtsklare legioenen voorop marcheren,zoals zijn gewoonte was; hierachter had hij de tros van het hele leger verzameld;vervolgens sloten de twee laatstgelichte legioenen de hele kolonne, en zij dienden totbescherming voor de tros. Onze ruiters, die samen met de slingeraars en de boogschuttersde rivier waren overgestoken, bonden de strijd aan met de ruiterij van de vijand. Toen diezich herhaaldelijk in de bossen bij hun manschappen terugtrokken en vervolgens opnieuwvanuit het bos een aanval op de onzen deden, terwijl onze manschappen de wijkenden nietverder durfden te volgen dan tot waar de kale strook reikte, begonnen ondertussen de zeslegioenen, na het afmeten van het terrein, een versterkt kamp op te slaan. Toen het eerstedeel van onze legertros werd opgemerkt door diegenen die zich in de bossen verscholenhielden, wat het afgesproken ogenblik was om de slag te beginnen, stormden zij, zoals zijin het woud hun slaglinie en gelederen hadden opgesteld, plotseling met al hun troepenvooruit en vielen onze ruiters aan. Toen dezen gemakkelijk waren verslagen en in wanordevooruitgejaagd, liepen ze met ongelooflijke snelheid naar de rivier zodat bijna terzelfdertijd zowel bij het bos als bij de rivier als bij ons vijanden te zien waren. Metdezelfde snelheid rukten ze langs de tegenovergestelde heuvel op naar onze kampplaats ende mannen die in beslag waren genomen door de schansarbeid.

20. Caesar moest alles tegelijk doen: de purperen vlag hijsen, wat het sein was,telkens als men te wapen moest lopen, de soldaten terugroepen van het schanswerk, diegenendie een beetje verder waren vooruitgegaan om het materiaal voor de wal te gaan halenterughalen, de slaglinie opstellen, de soldaten aanmoedigen en het teken met dekrijgstrompet geven. Het tijdsgebrek en het aanstormen van de vijand verhinderde voor eengroot deel deze zaken. Twee omstandigheden verhielpen echter deze moeilijkheden: dekundigheid en de ervaring van de soldaten, omdat zij door vroegere gevechten getraindwaren, zodat zij niet minder gemakkelijk zichzelf konden voorschrijven dan de bevelen vananderen te moeten krijgen, en het feit dat Caesar de afzonderlijke onderbevelhebbers hadverboden zich te verwijderen van hun respectievelijke legioenen en van het schanswerk;tenzij hun kampen opgesteld stonden. Dezen wachtten wegens de nabijheid en de snelheid vande vijand helemaal niet meer op het bevel van Caesar, maar zij troffen uit zichzelf diemaatregelen die hun noodzakelijk leken.

21. Nadat Caesar de hoogstnoodzakelijkste bevelen had gegeven, daalde hij af om zijnsoldaten aan te sporen en op goed geluk kwam hij aan bij het tiende legioen.

23. Zoals zij op de linkervleugel van de slaglinie opgesteld stonden, wierpen desoldaten van het negende en het tiende legioen hun speren en dreven de Atrebates (wanttegenover hen stond die vleugel opgesteld) die door de afmattende stormloop buiten ademwaren en uitgeput door hun wonden vanop een hogergelegen plaats snel terug de rivier in.Toen dezen trachtten over te steken, achtervolgden zij hen met het zwaard in de vuist endoodden een groot deel van hen in hun belemmering. Zelf aarzelden ze niet om de stroomover te steken, en, hoewel gevorderd op ongunstig terrein, joegen ze de vijand op devlucht. Elders ook hadden twee van elkaar gescheiden legioenen, het elfde en het achtste,de ViromandiŽrs, met wie ze slaags geraakt waren, van de hoogte teruggeslagen en ze warenmet hen op de oever zelf van de rivier aan het vechten.

Maar nu bijna heel de legerplaats aan de voor- en linkerzijde onbeschermd was, terwijlop de rechtervleugel het 12de en niet ver van dat legioen het 7de had postgevat, rukten deNerviŽrs op in dichte gelederen onder leiding van Boduognat die het opperbevel voerde,naar die plaats; een deel van hen begon de bergflank te omsingelen en een ander deel gingnaar de achterkant. Maar toen het twaalfde legioen en niet ver van hen verwijderd hetzevende in de rechtervleugel van het kamp dat bijna helemaal onbeschermd was langs devoorkant en de linkerkant, gingen staan, haastten de NerviŽrs zich in dichte gelederenonder leiding van Boduognat die het hoogste bevel voerde, naar die plaats; een deel vanhen begon de rechterflank te omsingelen en een ander deel ging naar de achterkant.

24. Op hetzelfde ogenblik trokken onze ruiters en de lichte infanterie, die hen haddenvergezeld en die zoals ik had gezegd door de eerste aanval van de vijand op de vluchtwaren geslagen, zich in het kamp terug. Toen liepen zij recht in de armen van de vijand enopnieuw sloegen zij op de vlucht in een andere richting. De knechten, die van bij deachterpoort op de hoogste bergkam bemerkt hadden dat onze overwinnaars de rivier haddenovergestoken en om te plunderen naar buiten gingen, sloegen hals over kop op de vluchttoen zij omkeken en zagen dat de vijand in ons kamp rondliep. Tegelijk brak het geschreeuwlos van de mannen die de tros vergezelden en in paniek stoven ze uiteen in allerichtingen. De ruiters van de Treveren, bij de GalliŽrs uitzonderlijk vermaard om hundapperheid, die door hun stam uitgestuurd naar Caesar waren gekomen om hem hulp te vragen,waren diep onder de indruk van dat alles. Toen zij zagen dat onze legerplaats volstroomdemet een massa vijanden en dat de legioenen in het nauw werden gedreven en bijna inomsingeling vastzaten, dat de knechten, de ruiters, de slingeraars en de NumidiŽrs uiteengedreven en uiteengeslagen in alle richtingen vluchtten, keerden ze, ontmoedigd door onzetoestand, naar huis terug; daar meldden ze aan hun stam dat de Romeinen verslagen enoverwonnen waren en dat de vijanden zich meester hadden gemaakt van hun tros.

Caesar in de voorste linie.

Nadat Caesar het tiende legioen had aangespoord trok hij naar de rechtervleugel, entoen hij had gezien dat zijn soldaten in het nauw waren gedreven, omdat de tekens op eenplaats waren samengebracht, zodat de dicht op elkaar gepakte soldaten van het 12de legioenelkaar hinderden, en alle honderdmannen van het het 4de cohorte allen gedoodwaren, zodatde vaandrig was gedood en het teken was verloren gegaan, zodat de hondermannen van deoverige cohorten bijna allemaal gedood of gewond waren, en onder was er een zekere PrimusPilys P. Sextio Baculus, een zeer dapper man, die was afgemat door vele ernstige wonden,zodat hij zich reeds niet meer kon rechthouden, en toen C. ook gezien had dat de overigelegioenen te traag waren en dat enkelen van de nieuwelingen zich verwijderden van hetslagveld en de wapens ontweken, dat de vijanden hun beklimming vanaf de lager gelegenplaats van voren niet onderbraken en aan elk van beide kanten druk uitoefenden en omdat desituatie kritiek wed en omdat er geen enkele hulp was die hij kon plaatsen, en nadat hijhet schild van ťťn van de nieuwelingen had afgenomen, omdat hij zelf zonder schild wasgekomen, ging hij verder naar de voorste linie, en hij riep honderdmannen bij naam, en despoorde de overige soldaten aan en hij beval om de tekens te brengen de manipels teverruimen, zodat die gemakkelijker hun zwaarden zouden kunnen gebruiken. Zijn komstbezielde de soldaten met nieuwe hoop en moed en omdat iedereen ondanks het extremepersoonlijke gevaar onder de ogen van de veldheer zijn uiterste best wilde doen, werd deaanval der vijanden althans enigszins vertraagd.

4.Rome zegeviert.
De situatie klaart op.

Toen C. zag dat het 7de legioen dat ernaast was opgesteld, eveneens door de vijand inhet nauw scheen gebracht te worden, beval hij de krijgstribuun, aangezien de legioenenzich geleidelijk verbonden, om zich om te keren en de vijand aan te vallen. Toen ditgedaanwas, begonnen ze heviger weerstand te bieden en dapperder te vechten, omdat zeelkaar hulp boden en niet meer bevreesd waren dat ze afgekeerd van de vijanden omsingeldkonden worden. Intussen waren de soldaten van de 2 legioenen die in de achterhoede delegertros ter bescherming waren , na het bericht van de slag, nadat ze wat sneller warengaan lopen op de heuveltop door de vijanden opgemerkt en toen Labienus, die na hetbemachtigen van het kamp bemerkt had vanop de hoger gelegen plaats welke zaken zichafspeelden in het kamp, zond hij het 10de legioen als hulp voor onze manschappen. En toenzij begrepen hadden in welke toestand de zaak verkeerde en in wat een groot gevaar zowelhet kamp als de legioenen als de imperator verkeerden uit de vlucht van de trosknechten ende ruiters liepen ze nog wat harder.

Tot de laatste man.

En door hun komst zijn de zaken zo verandert dat onze soldaten, zelfs die die doorwonden afgemaakt voorover lagen, op hun schilden steunend, opnieuw op volle krachtbegonnen, en de schildknapen gingen, nadat ze totaal verschrokken de vijand hadden gezien,de vijand ongewapend tegemoet, en de ruiterij betoonde zich op alle plaatsen van het frontdapperder dan de legioenssoldaten om de lafheid van hun vlucht uit te wissen. Maar zelfsde vijand stelde zich in hun uiterste hoop ..., zodat, toen de eersten vanhen warengesneuveld, gingen ze staan op de gesneuvelden en vanop hun lichamen streden ze, en nadater nog meer sneuvelden en uit de opeengehoopte lichamen een heuveltje was ontstaan,wierpen ze wapens van onze soldaten en speren nadat ze die uit de lucht hadden gegrepenterug: zodanig dat men moet menen dat zon'n dappere mannen niet voor niets het aangedurfdhebben om een heel brede rivier over te steken en om de stijle oevers te beklimmen en omzich op een bijzonder ongunstige plaats te begeven; wat hun dapperheid van heel moeilijktot gemakkelijk had gemaakt.

Caesar grootmoedig.

Na deze veldslag en nadat het volk en de naam van de NerviŽrs bijna tot devernietiging was herleid, zonden de oudsten, die, zoals we gezegd hadden, samen met dekinderen en de vrouwen in de beemden en de moerassen samengebracht waren, in de mening datde overwinnaars tot alles in staat waren en de overwonnenen voor niets veilig waren, metgoedkeuring van diegene die over waren, gezanten naar Caesaren gaven zich over aan hem. En bij het in herinnering roepen van de ramp die hun volk hadgetroffen, zeiden ze dat het aantal van hun 600 officieren teruggebracht was tot 3, dat ervan hun 60.000 soldaten nauwelijks 500 overbleven die een wapen konden hanteren. En Caesar bewaarde, omdat hij gezien wordt als iemanddie tegenover de ellendelingen en de smekelingen barmhartig is, genadig hun leven en liethij hen in het bezit van hun grondgebied en hun steden, en beval de buurvolkeren om zichen hun volk te onthouden van alle onrecht en misdaad.

Boek III

28 Hoewel de zomer bijna voorbij was, leidde Caesar omstreeks hetzelfde tijdstip zijnleger toch naar de Morinen en de MenapiŽrs, omdar de Morinen en de MenapiŽrs de enigenwaren die nog onder de wapens waren en nooit de vredesgezanten naar hem hadden gestuurd,terwijl heel GalliŽ tot vrede was gebracht en hij meende dat die oorlog snel voltooid konworden. Zij begonnen oorlog te voeren op een totaal andere manier dan de andere GalliŽrs.Want omdat ze begrepen dat de grottste stammen die ten strijde waren getrokken, verdrevenen overwonnen waren en omdat ze de uitgestrekte bossen en moerassen hadden, brachten zedaar hun volk en hun bezittingen samen. Wanneer Caesar bij het begin van deze bossenaangekomen was en hij begonnen was met het kamp te versterken en de vijand ondertussenniet te zien was, terwijl de onzen onder het werk verspreid waren, vlogen ze plots uitalle kanten van het bos en deden een aanval op de onzen. De onzen grepen snel de wapens endreven hen terug in de bossen en nadat verscheidene gedood waren, volgden zij hen verderop tamelijk hinderlijke plaatsen, ze verloren weinigen van hun manschappen.

29Al de daaropvolgende dagen liet Caesar de bossen omhakken en opdat er niet ťťn ofandere aanval zou plaatsvinden vanuit de zijkanten op de ongewapende en onoplettendesoldaten, stapelde hij al het hout dat omgehakt was gekeerd in de richting van de vijanden bouwde dat op aan beide zijden als een wal. Nadat met een ongelooflijke snelheid eengrote ruimte in weinige dagen was voltooid en toen door de onzen reeds bijna het vee enhet laatste deel van de tros was gegrepen, en ze zelf naar dichtere bossen gingen, volgenstormen van die aard elkaar op, dat het werk onvermijdelijk moest worden onderbroken endoor de voortdurende regen konden de militairen niet meer schuilen onder de tenten.Bijgevolg, nadat al deze akkers waren verwoest en de dorpen en de huizen in brand warengestoken, leidde Caesar zijn leger terug en plaatste ze samen in winterkampen bij deHulerci, de Lexovii en eveneens bij de overige stammen die onlangs oorlog hadden gevoerd.

Boek IV

1. De Germaanse stam derSuebi:

In de daaropvolgende winter van het jaar waarin Cnaeus Pompejus enMarcus Crassus consuls waren zijn de Germaanse Usipeten en eveneens de Tencteri met eengroot aantal mensen de Rijn overgestoken niet ver van de zee waarin de Rijn uitmondt. Deoorzaak van die overtocht was het feit dat ze door de Suebi verschillende jaren opgejaagdwerden en gedrukt door de oorlog en verhinderd werden van de landbouw. Het volk van deSuebi is veruit het grootste en oorlogzuchtigste van alle Germanen.

Men zegt dat ze honderd districten hebben waaruit ze jaarlijks telkensduizend gewapenden uitsturen om oorlog te voeren. De overigen, die thuis zijn gebleven,zorgen voor het levensonderhoud van zichzelf en de anderen. Deze zijn dan weer op hunbeurt een jaar later onder de wapens, de anderen blijven dan thuis. Zo wordt noch delandbouw noch de theorie en praktijk van de oorlog onderbroken. Bij hen is er niets vanprivaat of gescheiden grondgebied, noch is het goorloofd langer dan een jaar te blijven op1 plaats om het land te bebouwen. Ze leven niet zo zeer van graan maar grotendeels vanmelk en vlees en ze zijn veel op jacht. Deze levenswijze en de aard van het voedsel en dedagelijkse training en de vrijheid van leven ( aangezien zij van jongsaf helemaal nietstegen hun wil doen en aangezien zij door geen tucht of plicht in toom worden gehouden)voedt hun krachten en kweekt mannen met een ontzaglijke gestalte. En ze hebben dezegewoonten aangenomen dat ze op de allerkoudste plaatsen niets van kledij hebben behalvedierenhuiden en wegens de kleine omvang hiervan is een groot deel van het lichaam open enze wassen zich in de rivier.
2.Voor de handelaars is er toegang om personen te hebben aan wie ze deze dingen die ze inde oorlog hebben buitgemaakt kunnen verkopen dan omdat ze zouden wensen dat niets naar henwordt geÔmporteerd. Ja, ze gebruiken zelfs geen geÔmporteerde paarden waarop deGalliŽrs gesteld zijn en die ze zich aanschaffen voor een enorme prijs. Maar diegene bijhen geboren zijn, klein en lelijk, bewerken ze door dagelijkse training opdat ze dezwaartste taken zouden aankunnen. In ruiterijgevechten springen ze vaak van het paard enstrijden te voet verder en ze hebben hun paarden eraan gewend op dezelfde plaats teblijven staan. Naar dezz begeven ze zich snel telkens als het nodig is. In hun erecodewordt niets schandelijker en verwekelijkter beschouwd dan het gebruiken van zadels. En zodurven zij eender welke gezadeldelde ruiterij, hoe talrijk ook, aanvallen.
3.Ze menen dat het een zeer grote eer is dat de akkers braak liggen op een zo breedmogelijke strook buiten hun gebied en ze menen hiermee dat door deze zaak te kennengegeven wordt dat een groot aantal stammen hun geweld niet hebben kunnen weerstaan. En zozegt men dat de velden aan 1 zijde vanaf de Suebi ongeveer 1100 passen onbewoond zijnlangs de andere zijde echter sluiten de UbiŽrs aan waarvan vroeger de stam groot enbloeiend was, voor zover er bij de Germanen sprake kon zijn van bloei. Deze zijn eenbeetje beschaafder dan de overigen van hetzelfde ras omdat ze aan Rijn wonen en veelhandelaars geregeld naar hen komen en zelf zijn ze wegens het nabuurschap gewend geraaktaan de Gallische gewoonten. Hoewel de Suebi zich in vele oorlogen gemeten hebben met deUbii en hoewel ze hen niet hebben kunnen verdrijven van hun grondgebied wegens deuitgestrektheid en de macht van deze stam toch hebben ze deze schatplichtigaan zich gemaakt en toch hebben ze deze kleiner (onbelangrijker) en zwakker gemaakt.

2. De inval vande Usipetes en de Tencteri.

4.In dezelfde toestand waren de Usipetes en de Tencteri , die hierbovenwerden vermeld. Ook deze hadden gedurende vele jaren het geweld van de Suebi tegengehoudenToch zijn deze tenslotte bij de Rijn beland, in de gebieden die de MenapiŽrs bewoonden,nadat ze van hun akkers verdreven waren en 3 jaar lang op verschillende plaatsen vanGermaniŽ rondzwierven. Deze hadden aan beide oevers van de rivier akkers, hoeven, dorpen,maar verschrikt door de aankomst van zo'n grote massa trokken ze weg uit die hoeven die zeaan de andere oever hadden en ze verhinderden de Germanen over te steken nadat ze aan dezekant van de Rijn op verschillende plaatsen versterking hadden gezet. Deze beproefdenalles, maar aangezien ze zich niet konden meten met geweld wegens het gebrek aan schepenen aangezien ze niet heimelijk konden oversteken wegens de wachtposten van de Menapiideden ze alsof ze terugkeerden naar eigen haardsteden en landen. Nadat ze een weg van driedagen hadden afgelegd keerden ze opnieuw terug en ze vielen de MenapiŽrs die nietsvermoedden te lijf nadat ze heel deze reis in ťťn nacht hadden afgelegd. De MenapiŽrsdie langs hun verkenners op de hoogte waren gebracht over de aftocht van de Germanen warenzonder vrees terug over de Rijn in hun eigen hoeven gaan wonen. Na deze gedood te hebbenen na het bezetten van de schepen staken ze de rivier over alvorens dat deel van deMenapiŽrs, dat aan deze kant van de Rijn was, op de hoogte gebracht was. En nadat ze allegebouwen van hun hadden bezet voedden ze zich met de voorraad van hen gedurende hetoverige deel van de winter.
5.Caesar, over deze zakeningelicht en de onstandvastigheid van de GalliŽrs vrezend omdat ze veranderlijk zijn inhet nemen van beslissingen en omdat ze op vele veranderingen op uit zijn, meende dat neitsaan hen mocht toevertrouwd worden. Het behoort immers tot de Gallische gewoonten dat zereizigers dwingen halt te houden ook als het tegen hun zin is.
En het is de gewoonte dat het volk in de stad rond de handelaars gaat staan en hen dwingtopenbaar te zeggen uit welke gebieden ze komen en welke zaken ze daar te weten zijngekomen. Door die zaken en geruchten ontroerd maken ze vaak plannen over de belangrijkstezaken, waarvan ze dadelijk berouw moeten hebben aangezien ze zich richten naar onzekeregeruchten en de meesten verzinnen antwoorden naar hun wil.
6. Aangezien deze gewoonte hem gewoon was, opdat hij niet voor een ergere oorlog zoustaan, vertrok hij vroeger dan hij gewoon was naar het leger. Toen hij daar aankwam zaghij dat die dingen waarvan hij vermoed had ze zouden gebeuren gebeurd waren . Hij zag dater legaten en gezantschappen door enkele stammen van de Galliťrs uitgenodigd waren omzich te verwijderen van de Rijn en met de woorden dat alles door hen in orde zal gebrachtworden wat ze eisten. Door deze hoop aangezet, verspreidden de Germanen zich steeds verderen verder en ze waren geraakt tot het grondgebied van de Eburonen en de CondrusiŽrs, diehorigen zijn van de Treveren. Nadat alle stamhoofden van heel GalliŽ ontboodden warenmeende
Caesar dat deze diedingen die hij te weten was gekomen door hem verzwegen moesten worden en hij beslisteoorlog met de Germanen te voeren nadat de gemoederen van hen gekalmeerd en gesterkt warenen nadat de ruiterij gevorderd was.
7. Caesar vertrekt richting Germanen. Een Germaans gezantschap komt hem tegemoet met dezelfbewuste boodschap dat zij de oorlog niet verklaren aan de Romeinen, maar dat zeevenmin weigeren de wapens op te nemen als iemand hen de oorlog verklaart; dat is nueenmaal de Germaanse gewoonte. De Romeinen moeten wel bedenken dat ze tegen hun zingekomen zijn: ze zijn uit hun huizen gejaagd. In ruil voor wat akkers willen ze gerust'nuttige vrienden' worden. Alleen aan de Sueven hebben ze toegegeven, maar tegen hen zijnzelfs de onsterfelijke goden niet opgewassen! Verder is er niemand op aarde die ze niet debaas kunnen.
8.Antwoord van Caesar: een vriendschap is onmogelijk zolang de Germanen in GalliŽblijven. Hij kan zijn eigen grenzen wel verdedigen en bovendien zijn er geen ongebruikteakkers. Ze mogen zich wel vestigen bij de UbiŽrs : die vroegen ook om zijn hulp tegen deSueven. Hij zal het van hen wel gedaan krijgen dat deze Germaanse stammen bij hen mogenkomen wonen.
9. De gezanten zeiden dat ze deze zaken naar de Germanen zouden terugbrengen en nadat  ze over deze zaak beraadslaagd hadden zouden ze terugkeren naar Caesar. Ondertussenvroegen ze hem niet dichter bij hun kamp te komen. Caesar zei dat zelfs dat niet van hemverkregen kon worden; Hij was immers te weten gekomen dat een groot deel van de ruiterijdoor hen over de Maas naar de Ambivariti weggezonden was voor enkele dagen om te roven ente foerageren; hij meende dat deze ruiters verwacht werden en dat hierdoor uitstel gezochtwerd.

Eenstrafexpeditie wenselijk

16. Nadat de Germaanse oorlog was afgelopen , besloot Caesar omwillevan vele redenen dat hijzelf de Rijn moest oversteken ; waarvan die redenen de meestgerechtvaardigde was die , aangezien hij zag dat de Germanen zo gemakkelijk verdrevenwerden zodat ze in GalliŽ aankwamen , hij wilde dat de Germanen vrees zouden kennen omhun eigen bezittingen , omdat ze begrepen dat het leger van het Romeinse volk het dierfeen aankon om de Rijn over te steken . Daarbij kwam ook nog het feit dat dat deel van deruiterij van de Usipetes en en de Tencteri , waarvan ik hogerop reeds gezegd heb dat ze deMaas hadden overgestoken om buit te bemachtigen en graan aan te vullen , en dat ze nietaan de veldslag deelgenomen hadden , dat zich na de vlucht van hun stamgenoten over deRijn in het grondgebied van de Sugambri had teruggetrokken en zich met dezen verbonden .Nadat Caesar naar dezen ( de Sugambri ) boden had gezonden , die zouden eisen dat ze aanhen diegenen die aan hemzelf en GalliŽ de oorlog hadden aangedaan zichzelf zoudenuitleveren , antwoordden ze dat de Rijn een begrenzing maakte aan het machtsgebied van hetRomeinse volk , dat , indien hij zou menen dat het niet rechtvaardig was dat de Germanennaar GalliŽ overstaken , waarom hij dan zou eisen dat er iets van zijn heerschappij ofmacht aan de overkant van de Rijn zou liggen ?? Maar de Ubii die als enigen uit de stammenover de Rijn gezanten naar Caesar hadden gezonden , vriendschap hadden gemaakt ,gegijzelden hadden gegeven , smeekten zozeer dat hij aan hen hulp zou bieden , omdat ze (zogezegd ) door de Suebi erg in het nauw werden gedreven , ofdat hij tenminste zijn legerover de Rijn zou zetten indien hij verhinderd zou worden door drukke bezigheden van depolitiek , dat dit voor hen tot opdat moment als hulp voldoende zou zijn voor detoekomstijg tijd . Dat de naam van zijn leger , nadat Ariovistius verdreven was , en dieallerlaatste strijd had plaatgevonden , zo groot was zelfs tot aan de uiterste stammen vande Germanen , zodat ze veilig konden zijn door de naam en vriendschap van het Romeinsevolk . Ze beloofden een grote overvloed van schepen om het leger over te brengen.

Voor het eerstde Rijn overbrugd

17.Caesar had om deze redenen die ik vermeld heb , het oversteken vande Rijn besloten. Maar hij oordeelde dat het niet veilig genoeg was met schepen over testeken en evenmin bepaalde hij dat dat eigen was noch aan zijn waardigheid noch aan dievan het Romeinse volk.Alhoewel de grootste moeilijkheid van het maken van een brug werdvooropgesteld, wegens de breedte , de snelheid en de diepte van de rivier , toch meendehij derhalve dat dit voor hem moest gewaagd worden omdat het leger anders niet mochtovergebracht worden. Voor de bouw van de brug gebruikte hij een nieuw procťdť .Anderhalve voet dikke palen , onderaan aangepunt en berekend op de diepte van de stroom,verbond hij op een afstand van twee voet met elkaar. Nadat hij dat stel van twee palen )met behulp van machines in de stroom had neergelaten , vastgezet en met heiblokken hadingeheid, - niet loodrecht zoals een gewone juk) paal , maar schuin vooroverhellend met destroming mee -
plaatste hij daartegenover , 40 voet stroomafwaarts , evenzo twee palen die op dezelfdewijze verbonden waren , maar nu tegen het geweld en de stuwing van de stroom in. Dan lietmen van boven op die beide stellen een twee voet brede balk neer , - want dat was preciesde afstand tussen de twee palen van een stel - en door middel van twee bouten aan de tweeuiteinden ( van de balk )werden de stellen uiteengehouden ; waren die eenmaal van elkaarweggedrukt en in tegengestelde richting vastgesjord , dan was het bouwwerk zo stevig en deconstructie van die aard , dat het gebint zich des te vaster aanspande , naarmate de drukvan het water groter werd. Die gebinten werden nu overdekt met lange rechte liggers enbelegd met latten en vlechtwerk. En als was dat nog niet genoeg , werden stroomafwaartspalen schuin ingeheid , die , als schoren aangebracht en met het geheel verbonden , dedruk van het water moesten opvangen. Nog andere palen werden , even stroomopwaarts ,ingeheid , opdat boomstronken of balken , die de barbaren eventueel in het water zoudengooien om het kunstwerk te vernielen , dank zij die bescherming , in hun vaart zoudenworden geremd en de brug niet zouden beschadigen.

Te gast bij deUbii

19. Nadat Caesar enkele dagen had gedraald in het grondgebied van dieanderen ( de Tencteri en de Usipetes )en nadat alle gehuchten en gebouwen in brand warengestoken en nadat al het graan was afgemaaid , trok hij zich terug in het grondgebied vande Ubii , en nadat hij zijn hulp aan dezen ( de
Ubii ) had beloofd , als ze door de Suebi onderdrukt zouden worden , kwam hij het volgendevan hen te weten : dat de Suebi nadat ze door verspieders te weten waren gekomen dat ereen brug werd gemaakt en nadat ze volgens hun gewoonten een beraad hadden gehouden , bodenhadden gezonden in alle
richtingen ( met bevel ) dat ze uit alle versterkte plaatsen moesten verhuizen , dat zehun kinderen , vrouwen en al het hunne in bossen moesten achterlaten en dat al diegenendie wapens konden dragen op ťťn plaats samenkwamen , dat deze plaats ongeveer als hetmidden uitgekozen van die streken dat de Suebi bezetten , dat ze daar de komst van deRomeinen afwachten en op dezelfde plaats waren samengekomen om te strijden. Van zodraCaesar dit te weten was gekomen , nadat hij al die dingen had afgewerkt , om welke redenhij besloten had zijn leger over te brengen namelijk opdat hij de Germanen angst zouaanjagen , opdat hij de Sugambri zou bestraffen , opdat hij de Ubii zou bevrijden vanbezetting, nadat hij in totaal 18 dagen had doorgebracht aan de woverkant van de Rijn ,nadat hij ervan overtuigd was dat er voldoende voordeel was behaald zowel voor lof alsvoor het nut van het Romeinse volk , trok hij zich in GalliŽ terug en liet de brugafbreken.

29

Vervolgens begon Caesar de volgende dagen de bossen om te hakken, opdat geen aanval konplaatsvinden van de flanken, terwijl de soldaten ongewapend en niet op hun hoede waren,plaatste Cesar al het hout dat omgehakt was gericht naar de vijand en stapelde het aanbeide kanten op als wal. Op enkele dagen werd een grote ruimte met ongelooflijke snelheidgemaakt, wanneer wij het vee en de uiterste bagagetros hadden ingepalmd, en zij de dieperebossen opzochten, staken er stormen van die aard op, zodat het werk onvermijdelijkonderbroken werd, en door het aanhouden van regenbuien de soldaten niet langer onder hunttent konden houden (schuilen). En zo, stuurde Caesar zijn leger terug, nadat al hun akkersverwoest waren en alle gebouwen van de wijk in brand gestoken waren, en legerde hij in dewinterkampen in het gebied van de Aulerken en de Lexovii.

37 De moedigeRomeintjes

Toen uit die schepen ongeveerd 300 man aan wal gekomen waren en naarhet kamp trokken, werden zij omsingeld door de Morinen, die Caesar bij zijn vertrek naarBrittannia onderworpen had achtergelaten. Zij waren aangetrokken door de hoop op buit,eerst met niet zo'n groot aantal van de hunnen en ze bevalen de wapens neer te leggen alsze niet gedood wilden worden. Toen zij zich verdedigden door een kring te maken, kwamen erbij het geroep van de mannen snel nog 6000 bij. Toen die aanval gemeld was, stuurde Caesarheel de ruiterij uit het kamp de zijnen te hulp. Ondertussen boden onze soldaten weerstandaan de aanval en gedurende meer dan vier uur vichten ze zeer dapper. En terwijl ze zelfweinige gewonden hadden doodden ze verscheidene van hen. Maar nadat onze ruiterij in zichtkwam, wierpen de vijanden de wapens weg en sloegen op de vlucht. Een groot aantal van henwerd gedood.

38 Nietiedereen heeft geluk

De volgende dag zond Caesar zijn officier T. Labienum met de legers diehij uit Brittannia had teruggeleid, naar de Morinen die in opstand waren. Toen zij wegensde droogte van de moerassen niet wisten waarheen ze zicht moesten terugtrekken, in hettoevluchtsoord dat ze het jaar voordien hadden gebruikt, kwamen ze bijna allemaal in demacht van Labienum. Maar de bevelhebbers Q. Titurius en L. Cotta, die legioenen naar hetgrondgebied van de MenapiŽrs hadden geleid, trokken zich terug naar Caesar nadat al hunakkers verwoest waren, nadat al het graan afgesneden was en de gebouwen in brand gestokenwaren, omdat de MenapiŽrs zich allemaal in de zeer dichte bossen hadden verborgen. Caesarplaatste de winterkampen van al zijn legioenen bij de Belgen. Daarheen stuurden slechtstwee stammen uit Brittannia gijzelaars, de rest verwaarloosde dit. Nadat deze zakengeregeld waren, werd op grond van Caesars brieven een feest van twintig dagen afgekondigddoor de senaat.

BoekV

Boek V, 26

Ongeveer 14 dagen na aankomst in de winterkampen werden Ambiorix en Catuvolco plotsafvallig. Ofschoon zij aan de grenzen van hun koninkrijk hun diensten hadden aangebodenaan Sabinus en Cotta en graan naar het winterkamp hadden aangevoerd, hitsten zij, opgeruiddoor boodschappers van Indutiomaris, de Trevier, hun manschappen op. Ze overvielen plotsde houthalers en kwamen met een grote bende het kamp aanvallen.

Toen de onzen snel de wapens hadden gegrepen en de wallen hadden beklommen en aan dewinnende hand waren in een ruitergevecht doordat aan ťťn kant Spaanse ruiters warenuitgezonden, deden ze hun vijanden die ten einde raad waren, de bestorming staken. Toenriepen zij, zoals hun gewoonte was, wild door elkaar dat er iemand van ons moest komenvoor een overleg: ze wilden sommige zaken bepraten in het belang van beide partijen. Zijhoopten dat zij hierdoor de geschillen konden verminderen.

Boek V, 28

Arpinius en Inius meldden de dingen die ze gehoord hadden aan de legaten. Zij warendoor dit plotse voorval hevig verontrust en hoewel deze dingen gezegd waren door de vijandmeenden ze er toch niet achteloos aan voorbij te kunnen gaan. Ze waren vooral hierdoorgeschokt, namelijk dat het nauwelijks geloofwaardig was dat een onbekende en eenvoudigestam van de Eburonen op eigen houtje het Romeinse volk had aangevallen. Ze legden dit dusvoor aan de krijgsraad en er ontstond een groot meningsverschil onder hen.

L. Aurunculeius en verscheidene krijgstribunen en verschillende centuriones van deeerste cohorten meenden dat niets zomaar ondernomen of het winterkamp verlaten mochtworden zonder bevel van Caesar; zij wezen erop dat ze gelijk hoeveel Germanen kondentegenhouden door het gebouwde winterkamp.

De feiten spraken voor zichzelf omdat ze de eerste vijandelijke aanval moedig haddenafgeslagen en zelfs velen hadden verwond. Ze werden niet gedwongen door de graanvoorrad enondertussen zouden zowel uit de nabijgelegen winterkampen als van Caesar hulptroepenkomen. En wat was er tenslotte lichtzinniger of schandelijker dan met de vijand alsraadsman een beslissing te nemen van het hoogste belang.

Boek V, 30

Nadat er over beide zaken was gediscussieerd onder hevig protest van Cotta en decenturiones van de hoogste rangen, sprak Sabinus met stemverheffing, zodat een grootgedeelte van de soldaten het duidelijk kon horen: "Drijven jullie je zin maar door,als jullie dat willen"; "Ik ben niet diegene van jullie die het ergst vreestvoor zijn leven. Dezen zullen het ervaren: als er iets ergs gebeurd zal zijn, zullen zevan jou rekenschap eisen; indien het door jou wordt toegestaan, zullen ze overmorgenverenigd met de nabije winterkampen samen met de overigen de gemeenschappelijke zaak vande oorlog uithouden en niet verworpen en geÔsoleerd ver weg van de anderen omkomen ofweldoor het zwaard ofwel door de honger."

Boek V,31

De krijgsraad werd opgeheven; ze grepen elk van beiden bij de hand en smeekten de zaakdoor hun onenigheid en koppigheid niet te laten escaleren in het grootste gevaar: het wassimpel, of ze nu bleven of ze vertrokken, als ze maar allen aan hetzelfde zeel zoudentrekken; in de onenigheid zagen ze daarentegen geen enkel heil.

De zaak sleepte door de onenigheid aan tot middernacht; uiteindelijk gaf Cotta zichverbitterd gewonnen; de zienswijze van Sabinus haalde het, er werd afgekondigd dat men bijdageraad zou vertrekken.

De rest van de nacht bracht men al wakend door, omdat elke soldaat naar zijn bagagekeek, wat hij kon meenemen, wat hij uit de winteruitrusting moest achterlaten.

Bij dageraad vertrokken ze uit het kamp in een eindeloze kolonne en met een overlastaan bagage op zo’n wijze dat het leek alsof de raad niet door de vijand gegeven wasmaar door hun beste vriend Ambiorix.

Boek V, 32

Nadat de vijanden uit het nachtelijk lawaai en de wachtposten hun vertrek haddenopgemaakt, legden ze zich aan beide kanten in de bossen op een gunstige en verborgenplaats in een hinderlaag en wachtten daar op ongeveer 2 mijl afstand de komst van deRomeinen af.

Toen het grootste deel van de colonne tot in een diepe vallei was afgedaald, kwamen zijplots van beide kanten tevoorschijn en begonnen de achterhoede te bestoken en verhinderdende voorhoede te stijgen en op een voor ons ongunstig terrein bonden ze de strijd aan metons.

Boek V, 33

Omdat hij niets op voorhand voorzien had was Titurius pas toen gejaagd en liepzenuwachtig heen en weer en stelde hij de cohorten op. Hij deed dit alles vreesachtig enzo dat alles hem leek tegen te zitten, hetgeen meestal diegenen overkomt die gedwongenworden een besluit te nemen op het ogenblik van het handelen zelf.

Maar omdat Cotta had gedacht dat dit op de reis zou gebeuren en om deze reden geenvoorstander van het vertrek was, onttrok hij zich op geen enkel vlak aan hetgemeenschappelijk welzijn en hij verrichtte vele taken, zowel in het bij de naam noemenals in het aansporen van de soldaten vervulde hij de taak van opperbevelhebber en in hetgevecht die van de soldaat.

Omdat men wegens de lengte van de tros minder gemakkelijk alles persoonlijk kon nagaanen voorzien kon worden wat op elke plaats gedaan zou moeten worden, bevalen ze dat erverkondigd moest worden dat men de bagage moest achterlaten en een kring vormen. Hoeweldeze strategie in een dergelijk geval geen kritiek verdient, viel het toch faliekant uit,want het deed zowel onze soldaten de hoop verliezen als de vijand strijdlustiger maken,omdat dit niet zonder de grootste vrees en wanhoop leek te gebeuren.

Bovendien gebeurde het onvermijdelijke, namelijk dat de soldaten overal de veldtekensverlieten en dat ze zich haastten wat elk het dierbaarst was van de tros te vragen en wegte trekken zodat alles weergalmde van het geschreeuw en gejammer.

Boek V, 34

Maar het ontbrak de GalliŽrs niet aan een strategie. Want hun veldheren hadden langsheel de slaglinie laten afkondigen dat niemand zijn plaats mocht verlaten. De buit was vanhen en wat de Romeinen ook zouden achterlaten, zou voor hen gereserveerd worden. Daarommoesten ze denken dat alles afhing van de overwinning.

Alhoewel de onzen door hun veldheer en de Fortuin in de steek gelaten waren, steldenzij alle hoop op redding in de dapperheid en telkens als er een cohorte vooruitkwam,sneuvelde aan die kant een groot aantal vijanden.

Maar toen Ambiorix dit opgemerkt had, liet hij afkondigen dat zij hun speren (van eengrote afstand) uit de verte zouden gooien en niet dichterbij zouden komen en zoudenweggaan van die plaats waar de Romeinen een aanval hadden gedaan: door de lichtebewapening en de dagelijkse oefening kon niets hen deren; als ze zich zouden terugtrekkennaar de veldtekens moesten ze hen achtervolgen.

Boek V, 35

Dit bevel volgden ze zeer zorgvuldig op. Telkens een of andere cohorte de kring verlieten een aanval ondernam, weken de vijanden zeer snel terug. Ondertussen moest die cohortezich noodzakelijk blootgeven en langs de onbeschermde rechterflank werpspiezen incasseren.

Toen ze begonnen terug te keren naar de plaats vanwaar ze weggegaan waren, werden zeomsingeld, zowel door diegenen die weggevlucht waren als door degenen die vlakbij stonden.

Indien ze echter hun plaats wilden behouden, was er geen ruimte om hun moed te betonenen konden ze daar ze opeengedrongen stonden, de spiezen, door zo’n grote menigtegeworpen, niet ontwijken.

Ondanks de vele ongemakken waarmee ze te kampen hadden en ondanks de vele wonden die zehadden opgelopen, boden ze toch weerstand en ofschoon een groot deel van de dag verstrekenwas, want ze vochten van zonsopgang tot het achtste uur, deden ze niets dat hen onwaardigwas.

Van T. Balventius, een moedig en invloedrijk man, die het vorige jaar primipiel (eerstecenturio) geweest was, werden de beide dijbenen door een werpspies doorboord. Q. Lucanius,van dezelfde rang, werd tijdens een zeer dapper gevecht gedood, terwijl hij zijnomsingelde zoon ter hulp kwam. De legaat L. Cotta werd op het ogenblik dat hij allecohorten en gelederen aanspoorde, vlak in het gezicht gewond door een slingersteen.

Boek V, 36

Door deze gebeurtenissen was Q. Titurius zeer geschokt. Toen hij in de verte Ambiorixzijn mannen zag aanmoedigen, zond hij zijn tolk, Cn. Pompeius, naar hem met de vraagzichzelf en zijn soldaten te sparen.

Toen hij werd aangesproken, antwoordde hij dat indien hij met hem wou spreken, dat konen dat hij hoopte van de menigte de dingen te bekomen die tot het welzijn zouden bijdragenvan de soldaten. Hemzelf zou evenwel geen strobreed in de weg gelegd worden. En daarop gafhij zijn woord.

Hij contacteerde de gewonde Cotta om, zo hij ermee instemde, de strijd op te geven, eeneinde te maken aan het gevecht en samen besprekingen te voeren met Ambiorix. Hij hooptehet behoud voor hemzelf en zijn soldaten te bekomen. Cotta weigerde naar de gewapendevijand te gaan en volhardde hierin.

Boek V, 37

Sabinus beval de krijgstribunen die hij op dat moment rond zich had en de centurionesvan de eerste gelederen hem te volgen en, toen hij Ambiorix nogal dicht genaderd was enhem was opgedragen de wapens neer te leggen, voerde hij dit bevel uit en gelastte dezijnen hetzelfde te doen.

Ondertussen, terwijl ze onderlinge besprekingen hielden over de voorwaarden en Ambiorixopzettelijk het gesprek had gerokken, werd hij geleidelijk omsingeld en gedood.

Toen kraaiden zij echter, naar hun gewoonte, victorie en hieven het overwinningsgehuilaan en, nadat ze een aanval tegen ons hadden ondernomen, raakten de gelederen in paniek.Daar werd L. Cotta al vechtend gedood samen met een groot gedeelte van de soldaten.

De overigen trokken zich terug in het kamp vanwaaruit ze waren gekomen. Toen daarvan devaandrig, L. Petrosidius, in het nauw gedreven werd, wierp hij de adelaar over de wallenen sneuvelde hij dapper vechtend voor het kamp.

Ze hielden de strijd amper uit tot de nacht; ‘s nachts pleegden allen, de wanhoopnabij, zelfmoord.

Enkelen die ontsnapt waren aan de strijd bereikten langs onzekere wegen doorheen debossen het winterkamp van legaat T. Labienus en brachten hem verslag uit over hetgebeurde.

Boek V, 38

In de wolken door deze overwinning, vertrok Ambiorix onmiddellijk met zijn ruiterijnaar de Atuatuci, die een buurvolk waren van hem; hij onderbrak dag noch nacht en beval deinfanterie hem op de voet te volgen.

Toen hij dit had aangetoond, kwam hij ‘s anderendaags in het gebied van deNerviŽrs. Hij spoorde hen aan de gelegenheid niet te verzuimen, zich voorgoed tebevrijden en zich te wreken op de Romeinen voor het onrecht dat ze verdragen hadden. Hijverklaarde dat de twee legaten waren omgekomen. Het was een koud kunstje het legioen, datonder leiding van Cicero overwinterde, in geval er plots werd aangevallen, om te brengen.Hij zegde dienaangaande zijn hulp toe.

Boek VI.

13 Het volk niet in tel

In heel GalliŽ zijn er bij de vooraanstaande mensen, twee klassen te onderscheiden.Het lagere volk wordt namelijk ternauwernood als slaven beschouwd; het durft uit zichzelfniets te ondernemen en het wordt nooit tot een beraadslaging toegelaten. De meesten gevenzich, wanneer ze gebukt gaan onder een schuldenlast of onder zware belastingdruk ofwanneer ze te lijden hebben onder de kwalijke praktijken van ťťn die machtiger is danzijn, in dienstbaarheid aan een edelman. De adel heeft ten opzichte van hen dezelfderechten als een heer ten opzichte van zijn slaaf. Maar om nu weer op de twee klassen terugte komen: de ene is die van de druÔden, de andere die van de ridders.

De meesters van GalliŽ

De druÔden houden zich bezig met de godsdienst. Zij zien toe op openbare enparticuliere offerplechtigheden en geven opheldering in godsdienstige aangelegenheden.Veel jonge mannen komen bij hen om onderwijs te ontvangen. Zij staan hoog in eer. Want aanhen is de beslissing bij nagenoeg alle onenigheden, hetzij tussen stammen of tussenparticulieren. Als er een misdaad is begaan of een moord gepleegd, als er ruzie is om eenerfenis of wanneer zich grensgeschillen voordoen, zij nemen de beslissing en stellen deschadevergoedingen en straffen vast. Indien een particulier of een stam zich niet aan hunuitspraak houdt, mag hij niet meer deelnemen aan de offerplechtigheden. Dat is de zwaarstestraf die zij kennen. Wie met deze banvloek zijn geslagen, worden beschouwd als goddelozenen misdadigers; allen gaan hun uit de weg, allen schuwen contact of een gesprek met hen,uit angst, dat de aanraking allťťn al ongeluk zal brengen. Zij kunnen geen aanspraakmaken op enig recht en geen eerbewijs deelachtig worden. Maar ťťn van deze druÔdenstaat boven hen allen; hij is in hun kring met het hoogste gezag bekleed. Wanneer hijgestorven is, dan wordt hij opgevolgd door een van hen, die zich bijzonder onderscheidenheeft, of, als er meer zo zijn, dan brengt een stemming van de druÔden of soms zelfs eentweegevecht de beslissing over het bezetten van de ereplaats. Op een bepaalde dag van hetjaar houden ze in het land der Carnuten, dat geldt als het middelpunt van heel GalliŽ,zitting op een gewijde plaats. Daar komen van heinde en verre de mensen die onenigheidhebben bij hen en leggen zich neer bij hun besluiten en vonnissen.

Men gelooft dat hun leer in BrittanniŽ is ontstaan en vandaar naar GalliŽ isovergebracht. Ook nu nog gaan mensen, die zich grondig in het systeem willen verdiepen,naar BrittanniŽ om zich te laten onderrichten.

14

De druÔden nemen veelal geen deel aan de oorlog en betalen niet meen de belastingen;ze hebben vrijstelling van militaire dienstplicht en genieten allerlei voorrechten. Doordit alles aangelokt, komen velen uit eigen beweging bij hen om hun lessen te volgen en erworden ook velen door ouders of verwantennaar hen toe gestuurd. Men zegt dat ze daar eengroot aantal zangen uit het hoofd moeten leren. Daarom duurt de opleiding voor meer danťťn wel twintig jaar. Zij menen dat het tegen de wil der goden is om deze materieschriftelijk vast te leggen, terwijl ze toch meestal in alle andere gevallen, zoals bijrekeningen van de stam en van particulieren, het Griekse schrift te gebruiken. Het komtmij voor dat ze dit om twee redenen zo hebben ingesteld: in de eerste plaats willen zeniet dat hun leer gemeengoed wordt van het volk en in de tweede plaats willen ze voorkomendat de leerlingen , steunend op de geschreven tekst, hun geheugen minder oefenen. Hetoverkomt bijna iedereen, dat hij, door gebruik te maken van een schriftelijkgeheugensteuntje zijn vermogen om uit het hoofd te leren verliest en zijn geheugen laatverslappen. Voor alles willen ze de mensen overtuigen van de idee dat de ziel nietvergaat, maar na de dood reÔncarneert. Zij denken dat de mannen daardoor wordengestimuleerd tot dapperheid: ze hoeven immers niet bang te zijn voor de dood. Verderverdiepen ze zich veel in beschouwingen over de sterren en hun loop, over de afmetingenvan de aarde, over de natuur en over de almacht en de bevoegdheid van de onsterfelijkegoden; en deze gedachten geven ze door aan de jeugd.

15

De andere klasse is die van de ridders. Die nemen, als het nodig is, in geval er eenoorlog uitbarst (en dat was voor Caesars komstbijna jaarlijks het geval , wanneer ze anderen aanvielen of zich moesten verdedigen) allendeel aan de strijd. Hoe voornamer of rijker een ridder is, des te meer dienstmannen enhorigen hij om zich heen heeft. Dit is de enige vorm van invloed en macht die zij kennen.

2. De godsdienst der GalliŽrs

Mensenoffers (16)

De natie van de GalliŽrs is in zijn geheel zeer toegewijd aan religieuze praktijken,en daarom offeren zij die besmet zijn door nogal ernstige ziekten en die in veldslagen enlevensgevaren verkeren, ofwel mensen in de rol van slachtoffers, ofwel beloven ze dat zedie zullen offeren, en bij deze offergaven gebruiken ze de druÔden als helpers, omdat zevan mening zijn dat de wilsbeschikking van de goden niet tevreden kan gesteld worden alser geen mensenleven in ruil voor een mensenleven gegeven wordt, en ze hebben de openbaaringerichte offergaven van dezelfde soort. De anderen hebben reusachtige beelden, waarvanze de met takken gevlochten ledematen vullen met levende wezens; en nadat ze die in brandhebben gestoken, komen de mensen om door de omringende vlammen. De terechtstellingen vanhen die bij een diefstal of een roofpartij of een ander vergrijp gevat zijn, achten zemeer weldoende voor de onsterfelijke goden; maar wanneer er te weinig zijn, verlagen zezich zelfs tot de terechtstellingen van de onschuldigen.

Godenverering (17)

Van alle goden vereren ze Mercurius het meest; van deze zijn er de meeste beelden, zevertellen dat hij de uitvinder van alle kunst is, dat hij de gids is van de wegen en dereizen, en ze menen dat hij een zeer grote macht heeft over alle geldwinst en handel. Nahem vereren ze Apollo, Mars, Jupiter en Minerva. Over hen hebben ze bijna dezelfde meningals de overige stammen: nl. dat Apollo de ziekten verdrijft, dat Minerva inwijdt inkunsten en ambachten, dat Jupiter het hemelse rijk bezit, en dat Mars de oorlog leidt. Demeesten beloven aan deze, wanneer ze besloten hebben te strijden, hetgeen ze tijdens deoorlog buitgemaakt hebben; en wanneer ze hebben gewonnen, offeren ze al wat leeft, enbrengen ze de overige zaken op ťťn plaats samen. Men kan in vele staten de opgehooptebergen van deze dingen op heilige plaatsen zien; en het gebeurt niet vaak dat, wanneeriemand deze eerbied verwaarloost, of de oorlogsbuit durft te bezetten of te stelen, menbeslist om hem voor deze daad op ernstige manier terecht te stellen, nl. de kruisiging.

Het familiaal leven (18)

De Galliers verklaren openlijk dat ze afstammen van de oervader Dis en ze zeggen datdat overgeleverd wordt door de druiden. Daarom begrenzen ze elke tijdsruimte niet met hetaantal dagen maar het aantal nachten, zo observeren ze de verjaardagen en het begin vanjaren en maanden, dat de dag de nacht opvolgt. In de andere maatschappelijke instellingenverschillen ze in het algemeen van de andere hierin, nl. dat ze het dulden dat hunkinderen in het openbaar naar hun toe komen, tenzij wanneer ze volwassen zijn, zodat zijde dienstplicht kunnen vervullen, dat ze het als een schande beschouwen dat de zoon opjeugdige leeftijd in het openbaar onder de ogen van de vader zich vertoont.

(19)

De mannen voegen zoveel van hun eigen bezittingen toe aan de bruidsschat als zeontvangen van de vrouw als bruidsschat.  Al dit vermogen wordt gemeenschappelijkbeheerd en de opbrengsten worden gemeenschappelijk bewaard.  Het deel van elk vanbeiden komt toe aan die persoon die het langst leeft, samen met de opbrengsten vanvoorbije perioden.  De mannen hebben macht over leven en dood tegenover de vrouwen,zoals tegenover de kinderen; en wanneer een huisvader van vrij aanzienlijke afkomststerft, komen zijn dierbaren samen en als de doodsoorzaak verdacht lijkt, verhoren ze devrouwen zoals dat bij slaven gebeurt en als het uitgemaakt is, martelen en doden ze henmet vuur en alle andere folteringen.  De begrafenisplechtigheden zijn in verhoudingtot de cultuur van de GalliŽrs prachtig en kostelijk en alles waarvan zij menen dat hetde overledene ter harte ging, gooien ze in het vuur, zelfs dieren; en een beetje voor onzetijd werden slaven en cliŽnten, van wie het vaststond dat ze hem nauw aan het hartlagen(door hem werden gewaardeerd), samen met de dode verbrand, na de gebruikelijkerituelen te hebben uitgevoerd.

Zwijgplicht over staatsgeheimen(20)

De stammen, waarvan men meent dat ze hun staat het beste besturen hebben via wettenbekrachtigd dat, als iemand iets over een staatsaangelegenheid zou horen van de naburigestammen door een gerucht of van horen zeggen, hij dat moet melden aan een magistraat endat hij dit niet mag meedelen aan iemand anders omdat men weet dat roekeloze en onbekwamemensen door valse geruchten in paniek geraken en tot een gewichtige daad worden gedrevenen een beslissing nemen over zaken van het hoogste belang.  De magistraten verbergenwat hun goed lijkt en zij maken bekend aan de massa, wat van nut is naar hunoordeel.  Er wordt niet toegestaan over een staatsaangelegenheid te spreken, tenzijtijdens een officiŽle vergadering.                              

De Germanen (21)

Bij de Germanen zijn de zeden en gewoonten heel anders; zij hebben geen druÔden om opde godsdienst toe te zien en ze maken ook niet veel werk van offerplechtigheden Alleen degoden die ze zien en van wie de heilzame dracht duidelijk werkzaam is, zijn bij hen intel, zoals de Zon, het Vuur en de Maan; de andere goden kennen ze zelfs niet van horenzeggen. Hun hele leven bestaat uit de jacht en de krijgskunst; van jongs af aan worden zegetraind voor een zwaar en hard bestaan. Zij die het langst maagd zij gebleven, staan bijhen het hoogst aangeschreven. Ze denken dat een man daar groter van wordt, krachtiger,gespierder. Als iemand voor zijn twintig jaar omgang heeft gehad met een vrouw is dat inhun ogen een heel grote schande. Overigens maken ze geen geheim van deze zaken: ze badengemengd in de rivieren en ze kleden zich in huiden of pelzen, zodat een groot deel van hunlichaam naakt is.

Op akkerbouw leggen ze zich niet bij voorkeur toe; hun levensonderhoud bestaatvoornamelijk uit melk, kaas en vlees. Niemand bezit een vaste hoeveelheid grond of eenlandgoed in eigendom, maar de magistraten en gouwhoofden delen ieder jaar opnieuw aan degeslachten en families en andere groepen land uit, zoveel en waar het hun goed dunkt enhet volgend jaar dwingen ze hen weer ergens anders heen te gaan. Voor deze instellinggeven ze vele redenen op: ze willen ermee voorkomen dat de mensen, als ze te zeer gehechtraken aan de rustige regelmaat van het boerenleven, zich meer aangetrokken zullen voelentot de landbouw dan tot de oorlogsvoering; dat ze hun erf willen uitbreiden end at desterken de zwakkeren van hun akkers verjagen; dat ze hun hoeven degelijker bouwen danstrikt nodig is om kou en hitte te weren; dat er geldzucht ontstaat, oorzaak vanverdeeldheid en ruzie; tenslotte willen ze ermee bereiken dat het volk tevreden blijft,als ieder weet dat hij evenveel bezit als de machtigste heren. Voor de stammen betekenthet de grootste eer, wanneer hun territorium omgeven is door een ze breed mogelijke strookvan verwoest en ontvolkt gebied. Zij zien het als een bewijs van hun dapperheid als debuurstammen, uit hun land verdreven, wegtrekken (naar andere oorden) en geen enkele stamzich aan hun grenzen durft te vestigen: tegelijkertijd voelen ze zich veiliger omdat ergeen vrees meer bestaat voor een plotselinge inval. Wanneer een stam een verdedigings- ofaanvalsoorlog voert, dan worden er magistraten gekozen die in die oorlog de leiding hebbenen die beschikken over leven en dood.

In vredestijd is er geen centraal bestuur, maar spreken de streek- en gouwhoofden zelfrecht over hun onderdanen en leggen de geschillen bij. Diefstallen zijn naar hun begrippenvolstrekt niet onterend, als ze tenminste niet in de eigen stam worden gepleegd. Zebeweren dat ze dienen als middel om de jonge mannen te trainen en om ze minder lui temaken. Wanneer op een landdag een van de notabelen zich tot leider van een ondernemingheeft opgeworpen en gezegd heeft: "Wie mij volgen wil, moet zich melden" danspringen zij die geporteerd zijn voor het plan en voor de man, op en zeggen hem hun steuntoe. Zij worden dan door de vergadering toegejuicht. Maar wie van hen niet meegaan, wordentot de groep van de desertuers en verraders gerekend en hebben voor goed ieders vertrouwenverbeurd. Onwellevendheid tegenover een gast is in hun ogen heiligschennis. Mensen die omwelke reden dan ook bij hen op bezoek komen, worden in bescherming genomen; zij gelden alsonschendbaar. Alle huizen staan voor hen open en het voedsel wordt met hen gedeeld.

Boek VII

EEN LEIDER VOOR GALLIň

1. Vercingetorix, de ziel vande opstand

Onrust te Rome (1)

Omdat GalliŽ rustig was vertrok Caesar, zoalshij beslist had, naar ItaliŽ om rechtspraak te houden. Daar vernam hij over de moord opP. Clodius, en op de hoogte gebracht van de senaatsverordening, om alle jongeren in Italia(ItaliŽ + Gallia Cisalpina) in te lijven, besliste hij om een lichting te houden in zijnhele provincie. Deze zaken werden snel naar Gallia Transalpina doorverteld. De GalliŽrsvoegden er zelfs nog wat aan toe en verzonnen er nog bij wat de toestand scheen tevereisen, namelijk dat Caesar wegens de toestandin Rome werd opgehouden en dat hij in zulke moeilijkheden niet bij zijn leger kon geraken.

GalliŽ grijpt zijn kans

Aangezet door deze gelegenheid, begonnen zij die voordien al niet konden verdragen datze aan het Romeinse gezag werden onderworpen, wat vrijer en stoutmoediger plannen tesmeden om een oorlog te beginnen. De leiders van GalliŽ belegden onder elkaar op donkereen afgelegen plaatsen vergaderingen en ze klaagden over de dood van Acco; ze toonden aandat dit ook henzelf kon overkomen. Ze klaagden over de toestand van heel GalliŽ; metallerhande beloftes en beloningen vroegen ze dringend mannen die een oorlog zoudenbeginnen en met gevaar voor hun eigen leven GalliŽ de vrijheid zouden schenken. Vooralmoest men, wanneer de clandestiene plannen zouden uitlekken, ervoor zorgen dat Caesar van zijn leger werd gescheiden. Dat wasgemakkelijk, omdat de legioenen bij afwezigheid van de opperbevelhebber niet uit dewinterkampen durfden te komen en omdat de bevelhebber zonder escorte niet tot bij zijnlegioenen kon komen. En dat het tenslotte beter was op het slagveld gedood te worden dande oude oorlogsglorie en vrijheid, die ze van de voorouders hadden gekregen, niet terug tewinnen.

Groothartige Carnutes... (2)

Nadat deze zaken besproken waren, verkondigden de Carnutes dat ze geen enkel gevaar uitde weg zouden gaan omwille van het algemene welzijn, en dat ze beloofden om als eerstenvan allen een begin te maken met de oorlog. En aangezien ze geen waarborg door gijzelaarskonden geven in de huidige omstandigheden, opdat de zaak niet zou uitlekken, vroegen zewel met eden en gegeven woord te bekrachtigen, bij de bijeengebrachte militaire tekens,wat de gewoonte was bij het vieren van zeer ernstige ceremonieŽn, opdat ze niet dooranderen, wanneer er een begin met de oorlog was gemaakt, in de steek zouden gelatenworden. Nadat iedereen de Carnutes had geprezen; werd door ieder die aanwezig was de eedgezworen en nadat er een tijdstip voor die zaak was gevestigd, ging men uit de vergaderingweg.

...geven het sein tot deopstand (3)

Toen deze dag gekomen was, liepen ze, onder leiding van Gutruatus en Conconnetodumnus,twee desperado's, na het geven van het teken storm op Cenabum en ze vermoordden deRomeinse burgers en ontroofden hun goederen. De Romeinse burgers die zich daar omwille vande handel hadden gevestigd. Onder hen was er C. Fufius Cita, een Romeins ridder, die opbevel van Caesar aan het hoofd stond van devoedselvoorziening. Het gerucht werd snel doorverteld naar alle stammen van GalliŽ, wantwanneer er iets groots en illuster voorvalt, geven ze dat met geroep over akkers engebieden te kennen ; daarna vangen anderen dit op en zeggen het door aan hun buren, zoalshet toen gebeurde. Want de zaken die in Cenabum bij zonsopgang gebeurd waren, zijn nogvoor het einde van de eerste nachtwake op het grondgebied van de Averni, wat toch eenafstand van 160 mijl (= 288 km) betekent, gehoord.

Vercingetorix, koning derAverni (4)

Nadat zijn cliŽntes bijeengeroepen waren, jutte Vercingetorix hen op dezelfde wijzeop. Hij was de zoon van Celtillus, een AverniŽr, een zeer machtige jongeman, wiens vaderhet leiderschap over heel GalliŽ had verworven en om die reden, namelijk omdat hij hetkoningschap nastreefde, door de gemeenschap omgebracht is. Op de hoogte van dit plan, liepmen tegen hem te wapen. Het werd hem verboden door Gobbanitio, zijn oom en de overigevooraanstaanden die meenden dat ze zulk een risico niet mochten lopen. Hij werd verdrevenuit Gergovia, maar hij gaf toch niet op en hield op het platteland een lichting vanarmoedzaaiers en verschoppelingen. Na het ronselen van die bende overhaalde hij ieder uitzijn gemeente naar wie hij ging tot zijn mening. Hij spoorde hen aan om de wapens op tenemen omwille van de gemeenschappelijke vrijheid, en nadat hij de grote troepen hadbijeengebracht, verdreef hij zijn tegenstanders, door wie hij slechts even voordien wasbuitengegooid, uit de gemeenschap. Hij werd door zijn soldaten koning genoemd. Hij zondgezantschappen naar iedere stam en bezwoer hen om trouw te blijven. Snel voegde hij deSenones, de Parisii, de Pictones, de Cadurci, de Turoni, de Aulerci, de Lemovices, deAndes en de overige stammen die aan de oceaan wonen toe; met ieders toestemming werd hemhet oppergezag aangeboden.

Een leider met ijzeren hand

Nadat hij die macht verworven had, eiste hij van al deze stammen gijzelaars en hijbeval een zeker aantal soldaten snel naar hem te brengen. Hij bepaalde hoeveel wapens elkestam in hun eigen land moest maken en voor welke tijd dit moest gebeurd zijn. Maar hij wasvooral geÔnteresseerd in de ruiterij. Hij bouwde met zeer grote ijver en met strenge handzijn macht op. Door de grootte van zijn folteringen dwong hij de twijfelaars. Want voorhet begaan van een vrij ernstige misdaad stond de brandstapel en vele folteringen tewachten. Voor een minder erge misdaad werden de oren afgesneden, of nog leuker, werden deogen uitgelepeld en dan naar huis gestuurd om een voorbeeld voor de anderen te zijn en hente doen schrikken van de grootte van de straf.

 

FINIS GALLIAE

1. Dertig dagen later

Het leger der hoop (76)

Na het ronselen van 8000 ruiters en ongeveer 250 000 infanteriesoldaten, werden deze inhet grondgebied van de Haedui gegroepeerd, en werd er een telling gehouden, en werden zegeordend door officieren. Commuis van de Atrebaten, Viridomanus en Eparedorix van deHaedui, Vercassivellaunus Avernus, een volle neef van Vercingetorix, werden toevertrouwdaan het oppergezag. Aan hen werden de verkozenen uit het volk toegevoegd, om met hunraadgevingen de oorlog te voeren. Allen vertrokken opgewekt en vol van vertrouwen naarAlesia, en er was niemand van hen allemaal, die meende dat alleen al maar het kijken naarzo'n enorme massa verdragen kan worden, vooral bij een strijd van beide kanten, wanneer ereen uitval werd gedaan vanuit de stad, terwijl buiten de stad zo'n massa ruiters envoetvolk werd opgemerkt.

Maar wanhoop in Alesia (77)

Maar zij die in Alesia belegerd werden, omdat de dag voorbij was gegaan waarop ze hunhulptroepen verwacht hadden, nadat het graan helemaal was opgebruikt, niet wetend wat ergaande was bij de Haedui, na het bijeenroepen van een raad, beraadslaagden ze over deafloop van hun lotgevallen. En nadat verschillende meningen uitgesproken waren, waarvaneen deel overgave voorstelde en een ander deel een uitval voorstelde zolang men daar dekracht toe had, het lijkt mij dat de redevoering van Critognatus niet overgeslagen moestworden vanwege zijn buitengewone en ongehoorde wreedheid. Deze, aan de top van de Avernigeboren, werd gehouden voor een invloedrijk man.

Alleen lafaards geven zichover!

Niets, zei hij, ben ik van plan te zeggen over hun meningen die allerschandelijksteslavernij met de naam der overgave benoemen, en ik ben van mening dat ze niet voor burgersgehouden mogen worden en dat ze niet toegelaten mogen worden tot de vergadering. Met henwil ik te maken hebben die een uitbraak voorstellen; en in hun voorstel schijnt, en datvoelen jullie allen, een oude moed voort te leven. Dat is karakterzwakheid, geen moed,niet een poosje gebrek kunnen verdragen. Mannen van die aard dat ze zich vrijwillig tot dedood aanbieden vindt men gemakkelijker dan zij die pijn kunnen verdragen.

GalliŽ rekent op ons

En ik keur deze mening goed (zoveel vermag het gezag bij mij), als ik zou zien dat erbehalve onze levens niets verkwist zal worden; maar late we rekening houden met heelGalliŽ, dat wij tot onze hulp hebben opgehitst. Hoe denken jullie dat wat het gemoed vanonze naasten en bloedverwanten zal zijn, wanneer ze worden gedwongen hier, waar 8000 mangesneuveld is, op onze lijken te strijden? Beroof hen, die hun eigen gevaar hebbenverwaarloosd om jullie welzijn, toch niet van uw steun en start door onverstand enonbezonnenheid, door zwakheid van karakter GalliŽ niet in 't verderf: laat het niet tenprooi vallen aan eeuwige slavernij. Of twijfelen jullie aan hun trouw en standvastigheid,omdat ze op die dag niet gekomen zijn? En wat denken jullie van het feit dat de Romeinenin die buitenste verschansing voor hun plezier zich elke dag staan af te sloven? Alsjullie niet bevestigd kunnen worden door die boodschap, omdat alle toegangswegen versperdzijn, over de komst van de GalliŽrs, gebruik dan de Romeinen als getuigen van hunnadering; omdat zij daar doodsbang voor zijn, zijn ze dag en nacht in de weer bij deverschansingswerken.

Mijn voorstel desnoods ...

Wat is dus mijn advies? Te doen, wat onze voorouders hebben gedaan in de niet tevergelijken oorlog tegen de Cimbren en de Teutonen; zij waren in hun steden bijeengejaagden leden net als ons honger, ze rekten hun leven met de lichamen van hen die wat betreftleeftijd nutteloos voor de oorlog schenen en ze hebben zich niet aan de vijandovergegeven. En als we deze zaak nog niet als voorbeeld hadden, ben ik van mening dat ditomwille van de vrijheid ingevoerd moet worden en als een schitterend voorbeeld nagelatenaan onze kleinkinderen.

Want alles staat op het spel

Want wat was er hier gelijkaardig? Na de verwoesting van GalliŽ, gingen de Cimbrenweg, op een dag een grote ramp achtergelaten hebbend, uit ons grondgebied en hebben anderevolkeren opgezocht. Ze lieten ons recht, onze wetten, onze akkers, onze vrijheid. Maar deRomeinen, waar streven ze anders naar en wat willen ze anders dan zich, in hun afgunst,nestelen in landen en staten, waarvan ze gehoord hebben dat ze aanzienlijk zijn en machtigin de oorlog, en die dan voor eeuwig onder het juk van de slavernij brengen? En ze hebbenimmers nooit een andere aanleiding tot oorlog gehad. En als jullie niet weten hoe het gaatbij naties ver weg, kijk dan naar een buurland van GalliŽ, dat een Romeinse provincie isgeworden, waar wetten en recht veranderd zijn, dat aan de Romeinse heerschappij isonderworpen, en in eeuwige slavernij wordt vastgehouden.

De Nuttelozen uitgesloten (78)

Na een gedachtenwisseling kwamen ze tot het besluit dat degenen die wegens zwakte ofhoge leeftijd niet deugden voor de oorlog, de stad moesten verlaten en dat men niet tot dedoor Critognatus voorgestelde maatregel zou overgaan, voordat alles geprobeerd was."Maar als de nood drong en de hulp uitbleef, zou 't er toch van moeten komen, lieverdan zich over te geven of op vredesvoorstellen in te gaan." De MandubiŽrs, die henin hun stad hadden ontvangen, werden nu gedwongen met vrouw en kinderen te vertrekken. Bijde Romeinse schansen aangekomen, baden en smeekten ze snikkend of men hen als slaven wildegebruiken en hun wat te eten wilde geven. Maar Caesarzette wachters op de muur en liet hen niet toe.

3. De laatste gigantischestormloop

Aanval op alle fronten (84)

Nadat Vercingetorix vanuit de citadel van Alesia zijn landgenoten opgemerkt had, ginghij uit de stad. hij haalde de tenen horden, de staken, de sikkels en de overige dingendie voor de uitval gemaakt waren, te voorschijn. Op een ogenblik streed men op alleplaatsen, en ze vielen alles aan; men liep daarheen te hoop, naar die plaats die het minstverdedigd scheen. De Romeinse troepen werden door zo'n grote verschansingswerken uitmekaar gehouden en konden niet gemakkelijk naar zoveel plaatsen tegelijk toelopen. Hetkrijgsgehuil dat achter de rug van de strijdenden ontstond, werd veel luider om onzesoldaten de stuipen op het lijf te jagen, omdat ze inzagen dat hun gevaar afhing van dedapperheid van de ander; alles wat immers buiten bereik ligt, brengt meestal de (geestenvan de) mensen nogal heftig in de war.

Alarm op de buitenwal (85)

Nadat Caesar de geschikte plaats verworven had,kwam hij te weten op elke plaats gaande was en hij zond degenen die in moeilijkheden warenhulp. Het kwam bij beide groepen op in de geest dat dit bij uitstek het moment was om zichmaximaal in te spannen; de GalliŽrs wanhoopten om het algemene welzijn, tenzij ze deverschansingswerken zouden kunnen doorbreken, en de Romeinen verwachtten het einde van aldie zware werken, als ze de slag zouden winnen. Men had het uiterst moeilijk bij deverschansingswerken van de Mont Rea, waarheen Vercassivellaunus gestuurd was, zoals wehebben aangetoond. De ongelijke helling van die plaats was van groot belang. Sommigengooiden projectielen, anderen kwamen dichterbij in schildpadformatie; men loste deafgematte soldaten door de frisse soldaten af. Het materiaal, dat door al die mannen in deverschansingswerken gegooid waren, gaf zowel de GalliŽrs de mogelijkheid tot beklimming(van de Romeinse wal), als de mogelijkheid van het bedekken van alles wat door de Romeinenin de grond verborgen was; en voor onze mannen volstonden de wapens en de krachten nietmeer.

Panische vlucht der GalliŽrs(87)

Onze soldaten wierpen hun werpspiezen weg en streden verder met hun zwaarden. Plotsbemerkte en de ruiterij in de rug; andere cohorten naderden. De vijanden keerden zich omen de ruiters liepen de vluchtenden tegemoet. Het werd een ware slachtpartij. Sedullus,opperbevelhebber en leider van de Lemovices werd gedood; Vercassivellaunus Avernus werdlevend in de vlucht gevangen; de vierenzeventig militaire tekens werden naar Caesar teruggebracht; terwijl maar weinigen uit degrote groep ongedeerden zich in het kamp terugtrokken. Nadat ze vanuit de stad deslachting en de vlucht van hun landgenoten bemerkt hadden, wanhopig om de redding, leiddenze de troepen terug van de verschansingswerken. Nadat ze dit vernomen hadden, vluchtten deGalliŽrs dadelijk uit het kamp. En als onze soldaten niet afgemat waren door hun talrijkeondersteuningsoperaties en door het zware werk van heel de dag, hadden alle troepenverslagen kunnen worden door de vijand. Omstreeks middernacht vervolgt de gezondenruiterij de achterhoede; een grote groep werd gevangen en vermoord, de overigen verdwenenin de vlucht als nevel en mist.

Vae victis (89)

De volgende dag riep Vercingetorix een vergadering bijeen en verklaarde dat hij dieoorlog niet voor eigen profijt maar voor de algemene vrijheid was gestart en aangezien menmoet wijken voor het lot, bood hij zich voor beide zaken aan, hetzij de Romeinen voldoenmet zijn dood, hetzij dat ze hem levend willen uitleveren. Voor deze zaken werden gezantennaar Caesar gezonden. Hij beval de wapens over televeren, en de leiders naar voren te brengen. Zelf ging hij voor de verschansingswerkenvoor het kamp staan; de leiders werden daarheen geleid. Vercingetorix werd overgeleverd,en de wapens werden op een hoop geworpen. Hij liet Haedui en de AverniŽrs ongeschonden,om te beproeven of ze door toedoen van hen de stammen konden terugwinnen. Hij verdeeldevan de overige gevangenen voor het hele leger elk hoofd met de waarde van buit.


Carpe translationem

© 2005, 2006 www.klassiekevertalingen.nl

Plýk een vertaling